BWBR0003269
Geldig vanaf 1977-12-31
Artikel 3
Besluit vergoedingskosten vleeskeuringsdiensten
1. De berekening van de in artikel 2, tweede lid,a-d, bedoelde kosten geschiedt als volgt:
a. de berekening van de personeelskosten geschiedt aan de hand van de gemeentelijke salaris- en vergoedingsregelingen en met inachtneming van het bepaalde in artikel 4;
b. de aankoop van goederen wordt berekend volgens de normen van de N.V. Nederlands Inkoopcentrum (NIC);
c. bij de berekening van de kapitaalslasten wordt voor wat betreft de afschrijving uitgegaan van de stichtings- dan wel aankoopkosten; voor wat betreft de rentekosten wordt uitsluitend de ter zake betaalde rente in aanmerking genomen;
d. bij de berekening van investeringen worden de vóór 1978 terzake gevormde reserves in mindering op de stichtings- respectievelijk aankoopkosten gebracht;
e. indien gebouwen, grond of andere activa worden verkocht of niet meer voor de keuringsdienst worden gebruikt, wordt het verschil tussen de boekwaarde en de opbrengst of, indien geen verkoop zal plaatsvinden, de taxatiewaarde bij een positief verschil ten bate, bij een negatief verschil ten laste van de rekening der keuringsdienst gebracht; de taxatiewaarde moet blijken uit een taxatierapport van drie deskundigen, waarvan één wordt aangewezen door Onze Ministers, één door burgemeester en wethouders van de gemeente, de centrale gemeente of door het bestuur van het lichaam en de derde door Onze Commissaris in de provincie waarin de gemeente of de centrale gemeente is gelegen of het lichaam is gevestigd; de kosten van de taxatie komen ten laste van de rekening der keuringsdienst;
f. bij de berekening van de kosten worden niet in aanmerking genomen de kosten, voortvloeiende uit brand- of stormschade aan gebouwen en goederen die eigendom zijn van de gemeente, de centrale gemeente of het lichaam, voor zover deze kosten een gevolg zijn van niet of onvoldoende verzekerd zijn;
g. rentekosten die een gevolg zijn van een niet tijdige overdracht van door het Rijk uitgekeerde gelden door de gemeente of de centrale gemeente aan de keuringsdienst, worden niet in aanmerking genomen;
h. de kosten van werkzaamheden, niet de uitvoering van de wet of de artikelen 68 en 69 van de Veewet betreffende, moeten zijn doorberekend op basis van een integrale kostenberekening en als inkomsten in de rekening zijn verantwoord.
2. Met betrekking tot de in het eerste lid bedoelde kostenberekening kunnen Onze Ministers nadere regelen stellen.
a. de berekening van de personeelskosten geschiedt aan de hand van de gemeentelijke salaris- en vergoedingsregelingen en met inachtneming van het bepaalde in artikel 4;
b. de aankoop van goederen wordt berekend volgens de normen van de N.V. Nederlands Inkoopcentrum (NIC);
c. bij de berekening van de kapitaalslasten wordt voor wat betreft de afschrijving uitgegaan van de stichtings- dan wel aankoopkosten; voor wat betreft de rentekosten wordt uitsluitend de ter zake betaalde rente in aanmerking genomen;
d. bij de berekening van investeringen worden de vóór 1978 terzake gevormde reserves in mindering op de stichtings- respectievelijk aankoopkosten gebracht;
e. indien gebouwen, grond of andere activa worden verkocht of niet meer voor de keuringsdienst worden gebruikt, wordt het verschil tussen de boekwaarde en de opbrengst of, indien geen verkoop zal plaatsvinden, de taxatiewaarde bij een positief verschil ten bate, bij een negatief verschil ten laste van de rekening der keuringsdienst gebracht; de taxatiewaarde moet blijken uit een taxatierapport van drie deskundigen, waarvan één wordt aangewezen door Onze Ministers, één door burgemeester en wethouders van de gemeente, de centrale gemeente of door het bestuur van het lichaam en de derde door Onze Commissaris in de provincie waarin de gemeente of de centrale gemeente is gelegen of het lichaam is gevestigd; de kosten van de taxatie komen ten laste van de rekening der keuringsdienst;
f. bij de berekening van de kosten worden niet in aanmerking genomen de kosten, voortvloeiende uit brand- of stormschade aan gebouwen en goederen die eigendom zijn van de gemeente, de centrale gemeente of het lichaam, voor zover deze kosten een gevolg zijn van niet of onvoldoende verzekerd zijn;
g. rentekosten die een gevolg zijn van een niet tijdige overdracht van door het Rijk uitgekeerde gelden door de gemeente of de centrale gemeente aan de keuringsdienst, worden niet in aanmerking genomen;
h. de kosten van werkzaamheden, niet de uitvoering van de wet of de artikelen 68 en 69 van de Veewet betreffende, moeten zijn doorberekend op basis van een integrale kostenberekening en als inkomsten in de rekening zijn verantwoord.
2. Met betrekking tot de in het eerste lid bedoelde kostenberekening kunnen Onze Ministers nadere regelen stellen.