BWBR0003204
Geldig vanaf 1979-04-01
Artikel 3
Honingbesluit (Warenwet)
De in de artikelen 1en 2genoemde aanduidingen mogen slechts worden gebezigd indien de waar uitsluitend uit honing bestaat en de waar de volgende samenstelling heeft:
a. het schijnbaar gehalte aan reducerende suiker, uitgedrukt in invertsuiker, moet bij nectarhoning ten minste 65% en bij honingdauwhoning, al dan niet gemengd met nectarhoning, ten minste 60% bedragen;
b. het gehalte aan droge stof moet ten minste 79% bedragen, met uitzondering van heidehoning, van klaverhoning en van bakkershoning of industriehoning waarbij dit gehalte ten minste 77% moet bedragen;
c. het schijnbaar gehalte aan saccharose mag bij honingdauwhoning, al dan niet gemengd met nectarhoning, bij lavendelhoning, bij honing van Robinia pseudoacacia L. en bij honing van Banksia menziesii ten hoogste 10% en bij de overige honingsoorten ten hoogste 5% bedragen;
d. het gehalte aan niet in water oplosbare stoffen mag bij pershoning ten hoogste 0,5% en bij de overige honingsoorten ten hoogste 0,1% bedragen;
e. het gehalte aan minerale stoffen (as) mag bij honingdauwhoning, al dan niet gemengd met nectarhoning, ten hoogste 1% en bij de overige honingsoorten ten hoogste 0,6% bedragen;
f. het gehalte aan vrije zuren mag ten hoogste 40 milli-equivalenten per kilogram bedragen;
g. het gehalte aan hydroxymethylfurfural mag ten hoogste 40 milligram per kilogram bedragen;
h. honing met een gering natuurlijk enzymgehalte en een gehalte aan hydroxymethylfurfural van ten hoogste 15 milligram per kilogram moet een diastase-index hebben van ten minste 3; bij de overige honingsoorten moet de diastase-index ten minste 8 bedragen.
a. het schijnbaar gehalte aan reducerende suiker, uitgedrukt in invertsuiker, moet bij nectarhoning ten minste 65% en bij honingdauwhoning, al dan niet gemengd met nectarhoning, ten minste 60% bedragen;
b. het gehalte aan droge stof moet ten minste 79% bedragen, met uitzondering van heidehoning, van klaverhoning en van bakkershoning of industriehoning waarbij dit gehalte ten minste 77% moet bedragen;
c. het schijnbaar gehalte aan saccharose mag bij honingdauwhoning, al dan niet gemengd met nectarhoning, bij lavendelhoning, bij honing van Robinia pseudoacacia L. en bij honing van Banksia menziesii ten hoogste 10% en bij de overige honingsoorten ten hoogste 5% bedragen;
d. het gehalte aan niet in water oplosbare stoffen mag bij pershoning ten hoogste 0,5% en bij de overige honingsoorten ten hoogste 0,1% bedragen;
e. het gehalte aan minerale stoffen (as) mag bij honingdauwhoning, al dan niet gemengd met nectarhoning, ten hoogste 1% en bij de overige honingsoorten ten hoogste 0,6% bedragen;
f. het gehalte aan vrije zuren mag ten hoogste 40 milli-equivalenten per kilogram bedragen;
g. het gehalte aan hydroxymethylfurfural mag ten hoogste 40 milligram per kilogram bedragen;
h. honing met een gering natuurlijk enzymgehalte en een gehalte aan hydroxymethylfurfural van ten hoogste 15 milligram per kilogram moet een diastase-index hebben van ten minste 3; bij de overige honingsoorten moet de diastase-index ten minste 8 bedragen.