BWBR0003116
Geldig vanaf 1977-07-23
Artikel 4
Beschikking C.C.O.O.
1. Het overleg in de Centrale Commissie voor Onderwijsoverleg wordt gevoerd door de Minister of de door hem aan te wijzen plaatsvervanger met:
a. de Nederlandse Algemene Bijzondere Schoolraad (NABS) die 12 leden aanwijst;
b. de Stichting Contactcentrum Bevordering Openbaar Onderwijs (CBOO) en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) die te zamen 12 leden aanwijzen;
c. de Nederlandse Katholieke Schoolraad (NKSR) die 12 leden aanwijst;
d. de Nederlandse Protestants Christelijke Schoolraad (NPCS), die 12 leden aanwijst;
e. organisaties op het terrein van het onderwijs, die elk 1 lid aanwijzen, indien zij naar het oordeel van de Minister na overleg met de C.C.O.O. voor deelneming aan het overleg in aanmerking komen op grond van
1. redelijke omvang, en
2. vertegenwoordiging van een deel van het onderwijsveld dat niet als zodanig door een andere organisatie in de Centrale Commissie voor Onderwijsoverleg is vertegenwoordigd, en
3. vertegenwoordiging van ten minste twee onderwijsgeledingen, waaronder te verstaan: besturen, personeel en ouders.
2. Elk van de in het vorige lid onder a tot en met d genoemde organisaties neemt met 6 leden deel aan het overleg.
3. De organisaties, bedoeld in het eerste lid, delen de Minister schriftelijk mede wie zij als leden aanwijzen. Van een wijziging in de aanwijzing doen zij eveneens mededeling.
a. de Nederlandse Algemene Bijzondere Schoolraad (NABS) die 12 leden aanwijst;
b. de Stichting Contactcentrum Bevordering Openbaar Onderwijs (CBOO) en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) die te zamen 12 leden aanwijzen;
c. de Nederlandse Katholieke Schoolraad (NKSR) die 12 leden aanwijst;
d. de Nederlandse Protestants Christelijke Schoolraad (NPCS), die 12 leden aanwijst;
e. organisaties op het terrein van het onderwijs, die elk 1 lid aanwijzen, indien zij naar het oordeel van de Minister na overleg met de C.C.O.O. voor deelneming aan het overleg in aanmerking komen op grond van
1. redelijke omvang, en
2. vertegenwoordiging van een deel van het onderwijsveld dat niet als zodanig door een andere organisatie in de Centrale Commissie voor Onderwijsoverleg is vertegenwoordigd, en
3. vertegenwoordiging van ten minste twee onderwijsgeledingen, waaronder te verstaan: besturen, personeel en ouders.
2. Elk van de in het vorige lid onder a tot en met d genoemde organisaties neemt met 6 leden deel aan het overleg.
3. De organisaties, bedoeld in het eerste lid, delen de Minister schriftelijk mede wie zij als leden aanwijzen. Van een wijziging in de aanwijzing doen zij eveneens mededeling.