BWBR0003074
Geldig vanaf 1976-12-02
Artikel 6
Beschikking afgifte certificaten inzake goederenverkeer 1976
1. Verzoeken om gebruik te mogen maken van de in artikel 3, derde lid van het besluitbedoelde vereenvoudigde procedure voor de afgifte van de certificaten inzake goederenverkeer worden ingediend bij de inspecteur onder wie de plaats waar de administratie van de verzoeker wordt gevoerd, ressorteert.
2. Toestemming om gebruik te mogen maken van de vereenvoudigde procedure voor de afgifte van certificaten inzake goederenverkeer wordt slechts verleend indien de administratie voldoet aan het in artikel 3, vierde lid van het besluitgenoemde vereiste en voorts daaruit ten minste kan worden afgeleid:
soort, dan wel GN-post, hoeveelheid en oorsprong van de gebruikte goederen
soort, dan wel GN-post, hoeveelheid en land van bestemming van de uitgevoerde goederen. Indien de noodzaak daartoe uit internationale afspraken voortvloeit, dient uit de administratie eveneens de waarde van de gebruikte en van de uitgevoerde goederen, alsmede de onderlinge verhouding van deze waarden te blijken.
3. Op een verzoek wordt door de inspecteur beslist.
4. De toestemmingen die zijn verleend vóór de inwerkingtreding van deze ministeriële regeling worden, zolang zij niet door andere zijn vervangen, geacht te zijn verleend krachtens het besluit.
2. Toestemming om gebruik te mogen maken van de vereenvoudigde procedure voor de afgifte van certificaten inzake goederenverkeer wordt slechts verleend indien de administratie voldoet aan het in artikel 3, vierde lid van het besluitgenoemde vereiste en voorts daaruit ten minste kan worden afgeleid:
soort, dan wel GN-post, hoeveelheid en oorsprong van de gebruikte goederen
soort, dan wel GN-post, hoeveelheid en land van bestemming van de uitgevoerde goederen. Indien de noodzaak daartoe uit internationale afspraken voortvloeit, dient uit de administratie eveneens de waarde van de gebruikte en van de uitgevoerde goederen, alsmede de onderlinge verhouding van deze waarden te blijken.
3. Op een verzoek wordt door de inspecteur beslist.
4. De toestemmingen die zijn verleend vóór de inwerkingtreding van deze ministeriële regeling worden, zolang zij niet door andere zijn vervangen, geacht te zijn verleend krachtens het besluit.