BWBR0002870
Geldig vanaf 1974-01-01
Artikel 5
Besluit vergiften in apotheken en ziekenhuizen 1973
1. Het bestuur, of bij gebreke daarvan de bestuurder van een ziekenhuis, draagt zorg dat:
1°. de vergiften, bedoeld in artikel 1, onder a, ingeval deze zich in dat ziekenhuis elders dan in een apotheek bevinden, ter plaatse in uitsluitend daartoe bestemde en met een sleutel afsluitbare kasten of ruimten worden bewaard;
2°. de sleutels van de onder 1° bedoelde kasten of ruimten worden gebruikt en bewaard onder verantwoordelijkheid van een persoon die gebruik mag maken van zijn bevoegdheid tot uitoefening van de artsenijbereidkunst;
3°. na overleg met de onder 2° bedoelde persoon, de personen worden aangewezen die uitsluitend toegang hebben tot de onder 1° bedoelde kasten of ruimten;
4°. onder verantwoordelijkheid van de onder 2° bedoelde persoon een nauwkeurige administratie wordt bijgehouden van de soorten en hoeveelheden van vergiften welke zich in de onder 1° bedoelde kasten of ruimten bevinden en daaruit worden genomen.
2. Het eerste lid is niet van toepassing ten aanzien van de preparaten, bedoeld in artikel 3, vierde en vijfde lid.
3. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de vergiften, bedoeld in artikel 1, onder c, met dien verstande dat:
1°. alleen een administratie behoeft te worden bijgehouden van de soorten en hoeveelheden van vergiften welke in de kasten of ruimten worden geplaatst en het tijdstip waarop zulks geschiedt;
2°. geen administratie behoeft te worden bijgehouden van vergiften welke zich bevinden in een voorwerp waarop de naam van de persoon, te wiens behoeve het is voorgeschreven, en de naam of samenstelling van het vergift is vermeld;
3°. de vergiften, bedoeld onder 2°, ook buiten de onder 1° bedoelde kasten of ruimten mogen worden bewaard;
4°. in de onder 1° bedoelde kasten of ruimten ook geneesmiddelen, niet zijnde vergiften mogen worden bewaard.
4. Het bestuur, of bij gebreke daarvan de bestuurder van een ziekenhuis, bepaalt, na overleg met de persoon, bedoeld in het eerste lid, onder 2°, de nadere bestemming van een in het derde lid, onder 2°, bedoeld vergift dat niet meer ter beschikking wordt gehouden van de persoon, ten behoeve van wie het is voorgeschreven.
5. Aan de verplichtingen van het bestuur of de bestuurder en van de persoon in het eerste lid, onder 2°, wordt geacht te zijn voldaan, wanneer zij aantonen dat door hen de nodige bevelen zijn gegeven, de nodige maatregelen zijn genomen, de nodige middelen zijn verschaft en het redelijkerwijze te vorderen toezicht is gehouden om de naleving te verzekeren van de bepalingen, vervat in de voorgaande leden.
1°. de vergiften, bedoeld in artikel 1, onder a, ingeval deze zich in dat ziekenhuis elders dan in een apotheek bevinden, ter plaatse in uitsluitend daartoe bestemde en met een sleutel afsluitbare kasten of ruimten worden bewaard;
2°. de sleutels van de onder 1° bedoelde kasten of ruimten worden gebruikt en bewaard onder verantwoordelijkheid van een persoon die gebruik mag maken van zijn bevoegdheid tot uitoefening van de artsenijbereidkunst;
3°. na overleg met de onder 2° bedoelde persoon, de personen worden aangewezen die uitsluitend toegang hebben tot de onder 1° bedoelde kasten of ruimten;
4°. onder verantwoordelijkheid van de onder 2° bedoelde persoon een nauwkeurige administratie wordt bijgehouden van de soorten en hoeveelheden van vergiften welke zich in de onder 1° bedoelde kasten of ruimten bevinden en daaruit worden genomen.
2. Het eerste lid is niet van toepassing ten aanzien van de preparaten, bedoeld in artikel 3, vierde en vijfde lid.
3. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de vergiften, bedoeld in artikel 1, onder c, met dien verstande dat:
1°. alleen een administratie behoeft te worden bijgehouden van de soorten en hoeveelheden van vergiften welke in de kasten of ruimten worden geplaatst en het tijdstip waarop zulks geschiedt;
2°. geen administratie behoeft te worden bijgehouden van vergiften welke zich bevinden in een voorwerp waarop de naam van de persoon, te wiens behoeve het is voorgeschreven, en de naam of samenstelling van het vergift is vermeld;
3°. de vergiften, bedoeld onder 2°, ook buiten de onder 1° bedoelde kasten of ruimten mogen worden bewaard;
4°. in de onder 1° bedoelde kasten of ruimten ook geneesmiddelen, niet zijnde vergiften mogen worden bewaard.
4. Het bestuur, of bij gebreke daarvan de bestuurder van een ziekenhuis, bepaalt, na overleg met de persoon, bedoeld in het eerste lid, onder 2°, de nadere bestemming van een in het derde lid, onder 2°, bedoeld vergift dat niet meer ter beschikking wordt gehouden van de persoon, ten behoeve van wie het is voorgeschreven.
5. Aan de verplichtingen van het bestuur of de bestuurder en van de persoon in het eerste lid, onder 2°, wordt geacht te zijn voldaan, wanneer zij aantonen dat door hen de nodige bevelen zijn gegeven, de nodige maatregelen zijn genomen, de nodige middelen zijn verschaft en het redelijkerwijze te vorderen toezicht is gehouden om de naleving te verzekeren van de bepalingen, vervat in de voorgaande leden.