BWBR0002868
Geldig vanaf 1973-01-01
Artikel 3
Besluit fondsen en spaarregelingen
1. Het bestuur van het fonds moet ingevolge de statuten met het beheer van het fondsvermogen zijn belast.
2. De statuten moeten bepalingen inhouden betreffende:
a. de wijze van beheer van het vermogen van het fonds, waaronder begrepen de wijze van belegging van de daartoe beschikbare gelden, welke bepalingen waarborgen dienen in te houden, dat de belegging op solide wijze geschiedt;
b. de plaats waar de aan het fonds toebehorende gelden, effecten en andere bescheiden worden bewaard;
c. de vaststelling en de wijze van verrekening van de kosten van het beheer.
3. Uit de statuten van het fonds moet, tenzij krachtens artikel 10ontheffing is verleend, verder blijken, dat het vermogen van het fonds voor niet meer dan twintig ten honderd mag bestaan uit schuldvorderingen op dan wel aandelen in het vermogen van de werkgever of één van de werkgevers bij wie deelnemers in dienst zijn.
4. Onder schuldvorderingen en aandelen als bedoeld in het vorige lid, worden begrepen schuldvorderingen op een natuurlijke persoon of een rechtspersoon en aandelen in een rechtspersoon, wanneer die natuurlijke persoon of die rechtspersoon rechtstreeks of middellijk de meerderheid bezit van de aandelen in het vermogen van de werkgever of één van de werkgevers bij wie deelnemers in dienst zijn; tevens worden onder schuldvorderingen en aandelen begrepen schuldvorderingen op en aandelen in een rechtspersoon, waarvan de aandelen in meerderheid rechtstreeks of middellijk in het bezit zijn van de werkgever of van één van de werkgevers bij wie deelnemers in dienst zijn.
2. De statuten moeten bepalingen inhouden betreffende:
a. de wijze van beheer van het vermogen van het fonds, waaronder begrepen de wijze van belegging van de daartoe beschikbare gelden, welke bepalingen waarborgen dienen in te houden, dat de belegging op solide wijze geschiedt;
b. de plaats waar de aan het fonds toebehorende gelden, effecten en andere bescheiden worden bewaard;
c. de vaststelling en de wijze van verrekening van de kosten van het beheer.
3. Uit de statuten van het fonds moet, tenzij krachtens artikel 10ontheffing is verleend, verder blijken, dat het vermogen van het fonds voor niet meer dan twintig ten honderd mag bestaan uit schuldvorderingen op dan wel aandelen in het vermogen van de werkgever of één van de werkgevers bij wie deelnemers in dienst zijn.
4. Onder schuldvorderingen en aandelen als bedoeld in het vorige lid, worden begrepen schuldvorderingen op een natuurlijke persoon of een rechtspersoon en aandelen in een rechtspersoon, wanneer die natuurlijke persoon of die rechtspersoon rechtstreeks of middellijk de meerderheid bezit van de aandelen in het vermogen van de werkgever of één van de werkgevers bij wie deelnemers in dienst zijn; tevens worden onder schuldvorderingen en aandelen begrepen schuldvorderingen op en aandelen in een rechtspersoon, waarvan de aandelen in meerderheid rechtstreeks of middellijk in het bezit zijn van de werkgever of van één van de werkgevers bij wie deelnemers in dienst zijn.