BWBR0002678
Geldig vanaf 1970-01-01
Artikel 3
Vrijstellingsbesluit landsverdediging Kernenergiewet
1. Ten aanzien van radioactieve stoffen, die in gebruik zijn dan wel bestemd zijn voor gebruik bij de Nederlandse krijgsmacht of bij de krijgsmacht van een bondgenootschappelijke mogendheid en met betrekking waartoe volgens de desbetreffende militaire voorschriften geheimhouding vereist is, wordt vrijstelling verleend van het in artikel 29 van de wet vervatte verbod.
2. In de gevallen, waarin de in het eerste lid bedoelde vrijstelling geldt, zijn de artikelen 21 tot en met 46 en 71 van het Besluit stralenbescherming Kernenergiewet van toepassing met dien verstande dat ingevolge deze bepalingen aan anderen dan Onze Minister toegekende bevoegdheden worden uitgeoefend door Onze Minister na overleg met Onze Ministers van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur.
3. Omtrent het bereiden, het voorhanden hebben, het toepassen en het zich ontdoen van radioactieve stoffen, waarvoor de in het eerste lid bedoelde vrijstelling geldt, dient een administratie te worden gehouden. Artikel 69, eerste, tweede en derde lid, van het Besluit stralenbescherming Kernenergiewet is van overeenkomstige toepassing.
4. In de gevallen, waarin de in het eerste lid bedoelde vrijstelling geldt, dient ervoor te worden zorg gedragen, dat bij zoekraken, diefstal of ongewilde verspreiding van radioactieve stoffen, hiervan onmiddellijk mededeling wordt gedaan aan Onze Ministers van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur.
2. In de gevallen, waarin de in het eerste lid bedoelde vrijstelling geldt, zijn de artikelen 21 tot en met 46 en 71 van het Besluit stralenbescherming Kernenergiewet van toepassing met dien verstande dat ingevolge deze bepalingen aan anderen dan Onze Minister toegekende bevoegdheden worden uitgeoefend door Onze Minister na overleg met Onze Ministers van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur.
3. Omtrent het bereiden, het voorhanden hebben, het toepassen en het zich ontdoen van radioactieve stoffen, waarvoor de in het eerste lid bedoelde vrijstelling geldt, dient een administratie te worden gehouden. Artikel 69, eerste, tweede en derde lid, van het Besluit stralenbescherming Kernenergiewet is van overeenkomstige toepassing.
4. In de gevallen, waarin de in het eerste lid bedoelde vrijstelling geldt, dient ervoor te worden zorg gedragen, dat bij zoekraken, diefstal of ongewilde verspreiding van radioactieve stoffen, hiervan onmiddellijk mededeling wordt gedaan aan Onze Ministers van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur.