BWBR0002678
Geldig vanaf 1970-01-01
Artikel 2
Vrijstellingsbesluit landsverdediging Kernenergiewet
1. Ten aanzien van splijtstoffen, ertsen, inrichtingen en uitrustingen, die in gebruik zijn dan wel bestemd zijn voor gebruik bij de Nederlandse krijgsmacht of bij de krijgsmacht van een bondgenootschappelijke mogendheid, wordt vrijstelling verleend van het in artikel 15 van de wet vervatte verbod.
2. In die gevallen, waarin de in het eerste lid bedoelde vrijstelling geldt, zijn de artikelen 21 tot en met 46 en 71 van het Besluit stralenbescherming Kernenergiewet ( Stb.1986, 465), alsmede artikel 8, eerste en tweede lid, de artikelen 11en 14, behalve voor zover daarin naar de artikelen 7en 8, derde lid, wordt verwezen en de artikelen 19, eerste lid, en 26, eerste en derde lid, van het Besluit vervoer splijtstoffen, ertsen en radioactieve stoffen( Stb.1969, 405) van overeenkomstige toepassing met dien verstande, dat ingevolge deze bepalingen aan anderen dan Onze Minister toegekende bevoegdheden worden uitgeoefend door Onze Minister na overleg met Onze Ministers van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur.
3. In de gevallen, waarin de in het eerste lid bedoelde vrijstelling geldt, dient ervoor te worden zorg gedragen, dat de voor de werkzaamheden gebruikte installaties en alles wat daartoe behoort in goede staat van onderhoud verkeren.
4. Indien in de gevallen, waarin de in het eerste lid bedoelde vrijstelling geldt, met criticaliteitsgevaar rekening moet worden gehouden, dienen de desbetreffende werkzaamheden te worden verricht door dan wel onder leiding of toezicht van personen die voldoende deskundig zijn met betrekking tot dit gevaar.
5. Omtrent het voorhanden hebben en het zich ontdoen van splijtstoffen en ertsen, waarvoor de in het eerste lid bedoelde vrijstelling geldt, dient een administratie te worden gehouden, waaruit op eenvoudige wijze kan worden afgeleid;
a. de hoeveelheid, de chemische en fysische toestand, de vorm, het gehalte en de verrijkingsgraad van de splijtstoffen;
b. de aard, de hoeveelheid en het gemiddelde uranium- of thoriumgehalte van de ertsen;
c. de plaats, waar de stoffen voorhanden worden gehouden, of de plaats, waar en de wijze waarop het zich ontdoen van die stoffen is geschied.
6. In de gevallen, waarin de in het eerste lid bedoelde vrijstelling geldt, dient ervoor te worden zorg gedragen, dat bij zoekraken, diefstal of ongewilde verspreiding van splijtstoffen of ertsen, hiervan onmiddellijk mededeling wordt gedaan aan Onze Ministers van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur.
2. In die gevallen, waarin de in het eerste lid bedoelde vrijstelling geldt, zijn de artikelen 21 tot en met 46 en 71 van het Besluit stralenbescherming Kernenergiewet ( Stb.1986, 465), alsmede artikel 8, eerste en tweede lid, de artikelen 11en 14, behalve voor zover daarin naar de artikelen 7en 8, derde lid, wordt verwezen en de artikelen 19, eerste lid, en 26, eerste en derde lid, van het Besluit vervoer splijtstoffen, ertsen en radioactieve stoffen( Stb.1969, 405) van overeenkomstige toepassing met dien verstande, dat ingevolge deze bepalingen aan anderen dan Onze Minister toegekende bevoegdheden worden uitgeoefend door Onze Minister na overleg met Onze Ministers van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur.
3. In de gevallen, waarin de in het eerste lid bedoelde vrijstelling geldt, dient ervoor te worden zorg gedragen, dat de voor de werkzaamheden gebruikte installaties en alles wat daartoe behoort in goede staat van onderhoud verkeren.
4. Indien in de gevallen, waarin de in het eerste lid bedoelde vrijstelling geldt, met criticaliteitsgevaar rekening moet worden gehouden, dienen de desbetreffende werkzaamheden te worden verricht door dan wel onder leiding of toezicht van personen die voldoende deskundig zijn met betrekking tot dit gevaar.
5. Omtrent het voorhanden hebben en het zich ontdoen van splijtstoffen en ertsen, waarvoor de in het eerste lid bedoelde vrijstelling geldt, dient een administratie te worden gehouden, waaruit op eenvoudige wijze kan worden afgeleid;
a. de hoeveelheid, de chemische en fysische toestand, de vorm, het gehalte en de verrijkingsgraad van de splijtstoffen;
b. de aard, de hoeveelheid en het gemiddelde uranium- of thoriumgehalte van de ertsen;
c. de plaats, waar de stoffen voorhanden worden gehouden, of de plaats, waar en de wijze waarop het zich ontdoen van die stoffen is geschied.
6. In de gevallen, waarin de in het eerste lid bedoelde vrijstelling geldt, dient ervoor te worden zorg gedragen, dat bij zoekraken, diefstal of ongewilde verspreiding van splijtstoffen of ertsen, hiervan onmiddellijk mededeling wordt gedaan aan Onze Ministers van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur.