BWBR0002668
Geldig vanaf 2025-01-01
Artikel 7
Besluit vervoer splijtstoffen, ertsen en radioactieve stoffen
1. Aan een vergunning voor het vervoeren van splijtstoffen of ertsen over de spoorweg of voor het voorhanden hebben van genoemde stoffen bij opslag in verband met zodanig vervoer worden ter voorkoming van schade zodanige voorschriften verbonden, dat:
a. blootstelling en besmetting, zo veel als redelijkerwijs mogelijk is, wordt voorkomen;
b. in gevallen, waarin blootstelling of besmetting onvermijdelijk is, deze zo veel als redelijkerwijs mogelijk is wordt beperkt;
c. in gevallen, waarin blootstelling of besmetting onvermijdelijk is, het aantal aan ioniserende straling blootgestelde personen, met vermijding van een ontoelaatbaar te achten blootstelling of besmetting per persoon, zo veel als redelijkerwijs mogelijk is wordt beperkt.
2. Tot de in het eerste lid bedoelde voorschriften kunnen behoren:
a. het voorschrift, dat het vervoer dient te geschieden onder daarbij aan te wijzen geleide, dan wel de opslag onder daarbij aan te wijzen toezicht;
b. het voorschrift, dat het vervoer dient plaats te vinden langs een daarbij aan te geven route;
c. het voorschrift, dat bij opslag in verband met het vervoer, onverminderd de bepalingen, welke terzake gelden op grond van andere voorschriften, zodanige maatregelen dienen te worden genomen, dat schade zo veel als redelijkerwijs mogelijk is, wordt voorkomen;
d. het voorschrift, dat bij opslag in verband met het vervoer moet worden voldaan aan door de Autoriteit gestelde nadere eisen;
e. het voorschrift dat van de transportroute mag worden afgeweken, indien door een onvoorzien voorval een onbelemmerde doorgang van het vervoer niet meer mogelijk is.
a. blootstelling en besmetting, zo veel als redelijkerwijs mogelijk is, wordt voorkomen;
b. in gevallen, waarin blootstelling of besmetting onvermijdelijk is, deze zo veel als redelijkerwijs mogelijk is wordt beperkt;
c. in gevallen, waarin blootstelling of besmetting onvermijdelijk is, het aantal aan ioniserende straling blootgestelde personen, met vermijding van een ontoelaatbaar te achten blootstelling of besmetting per persoon, zo veel als redelijkerwijs mogelijk is wordt beperkt.
2. Tot de in het eerste lid bedoelde voorschriften kunnen behoren:
a. het voorschrift, dat het vervoer dient te geschieden onder daarbij aan te wijzen geleide, dan wel de opslag onder daarbij aan te wijzen toezicht;
b. het voorschrift, dat het vervoer dient plaats te vinden langs een daarbij aan te geven route;
c. het voorschrift, dat bij opslag in verband met het vervoer, onverminderd de bepalingen, welke terzake gelden op grond van andere voorschriften, zodanige maatregelen dienen te worden genomen, dat schade zo veel als redelijkerwijs mogelijk is, wordt voorkomen;
d. het voorschrift, dat bij opslag in verband met het vervoer moet worden voldaan aan door de Autoriteit gestelde nadere eisen;
e. het voorschrift dat van de transportroute mag worden afgeweken, indien door een onvoorzien voorval een onbelemmerde doorgang van het vervoer niet meer mogelijk is.