BWBR0002638
Geldig vanaf 1969-02-23
Artikel 17
Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag
1. De vakantiebijslag, waarop de werknemer over het loon en de uitkeringen krachtens de <a href="/wet/BWBR0001888" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Ziektewet</a>, <a href="/wet/BWBR0013008" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf 1</a>of de <a href="/wet/BWBR0013008/artikel/4:2b" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikelen 4:2b</a>of <a href="/wet/BWBR0013008/artikel/6:3" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">6:3 van de Wet arbeid en zorg</a>en de <a href="/wet/BWBR0004045" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Werkloosheidswet</a>, voor zover een en ander over het tijdvak tot en met 31 mei van het lopende jaar opeisbaar is geworden, recht heeft verworven, wordt behoudens het bepaalde in de volgende leden in de maand juni uitbetaald.
2. Bij publiekrechtelijke regeling of schriftelijke overeenkomst kan ter zake van het tijdstip van uitbetaling van het eerste lid worden afgeweken, met dien verstande, dat uitbetaling ten minste eenmaal per kalenderjaar dient te geschieden.
3. Bij het einde van de dienstbetrekking wordt aan de werknemer het bedrag aan vakantiebijslag uitbetaald, waarop hij op dat tijdstip recht heeft verworven.
2. Bij publiekrechtelijke regeling of schriftelijke overeenkomst kan ter zake van het tijdstip van uitbetaling van het eerste lid worden afgeweken, met dien verstande, dat uitbetaling ten minste eenmaal per kalenderjaar dient te geschieden.
3. Bij het einde van de dienstbetrekking wordt aan de werknemer het bedrag aan vakantiebijslag uitbetaald, waarop hij op dat tijdstip recht heeft verworven.