BWBR0002588
Geldig vanaf 1967-06-01
Artikel 2
Regeling Tarieven Raad voor het Kwekersrecht
1. Voor de behandeling van een aanvraag tot verlening van kwekersrecht als bedoeld in artikel 35, en een aanvraag tot inschrijving van een ras als bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de wet, is de aanvrager aan de Raad bij vooruitbetaling een bedrag verschuldigd van € 324,45.
2. Voorts is aan de Raad verschuldigd:
a. voor de eerste teeltperiode van onderzoek naar de zelfstandigheid van het ras, een bedrag van: voor landbouwgewassen: € 778,69;
voor groentegewassen: € 1395,15;
voor sier-, boomkwekerij- en bosbouwgewassen: € 648,91, welk bedrag tegelijk met het bedrag, genoemd in het eerste lid, moet worden voldaan, tenzij artikel 4a op de aanvraag van toepassing is.
voor landbouwgewassen: € 778,69;
voor groentegewassen: € 1395,15;
voor sier-, boomkwekerij- en bosbouwgewassen: € 648,91, welk bedrag tegelijk met het bedrag, genoemd in het eerste lid, moet worden voldaan, tenzij artikel 4a op de aanvraag van toepassing is.
b. voor de tweede teeltperiode van onderzoek naar de zelfstandigheid van het ras, een bedrag gelijk aan het bedrag dat ingevolge onderdeel a is verschuldigd, welk bedrag dient te worden voldaan zodra de Raad dit verlangt.
3. Indien de in het eerste lid bedoelde aanvraag betrekking heeft op een ras dat behoort tot de landbouwgewassen, is de aanvrager voor de derde teeltperiode van onderzoek naar de zelfstandigheid van het ras op de eerste vordering van de Raad een bedrag verschuldigd van € 389,34.
4. Indien voor het onderzoek naar de zelfstandigheid van een hybride ras tevens een onderzoek naar de zelfstandigheid van één of meer van de inteeltlijnen van dat hybride ras wordt uitgevoerd, zijn het tweede en derde lid van overeenkomstige toepassing op het onderzoek naar die inteeltlijnen, voorzover de zelfstandigheid daarvan niet reeds is vastgesteld of zal worden vastgesteld naar aanleiding van een eerdere aanvraag die leidt tot een officieel onderzoek naar de zelfstandigheid. De eerste volzin is slechts van toepassing op het aantal inteeltlijnen waarvoor door de onderzoeksinstelling kosten in rekening worden gebracht bij de Raad.
2. Voorts is aan de Raad verschuldigd:
a. voor de eerste teeltperiode van onderzoek naar de zelfstandigheid van het ras, een bedrag van: voor landbouwgewassen: € 778,69;
voor groentegewassen: € 1395,15;
voor sier-, boomkwekerij- en bosbouwgewassen: € 648,91, welk bedrag tegelijk met het bedrag, genoemd in het eerste lid, moet worden voldaan, tenzij artikel 4a op de aanvraag van toepassing is.
voor landbouwgewassen: € 778,69;
voor groentegewassen: € 1395,15;
voor sier-, boomkwekerij- en bosbouwgewassen: € 648,91, welk bedrag tegelijk met het bedrag, genoemd in het eerste lid, moet worden voldaan, tenzij artikel 4a op de aanvraag van toepassing is.
b. voor de tweede teeltperiode van onderzoek naar de zelfstandigheid van het ras, een bedrag gelijk aan het bedrag dat ingevolge onderdeel a is verschuldigd, welk bedrag dient te worden voldaan zodra de Raad dit verlangt.
3. Indien de in het eerste lid bedoelde aanvraag betrekking heeft op een ras dat behoort tot de landbouwgewassen, is de aanvrager voor de derde teeltperiode van onderzoek naar de zelfstandigheid van het ras op de eerste vordering van de Raad een bedrag verschuldigd van € 389,34.
4. Indien voor het onderzoek naar de zelfstandigheid van een hybride ras tevens een onderzoek naar de zelfstandigheid van één of meer van de inteeltlijnen van dat hybride ras wordt uitgevoerd, zijn het tweede en derde lid van overeenkomstige toepassing op het onderzoek naar die inteeltlijnen, voorzover de zelfstandigheid daarvan niet reeds is vastgesteld of zal worden vastgesteld naar aanleiding van een eerdere aanvraag die leidt tot een officieel onderzoek naar de zelfstandigheid. De eerste volzin is slechts van toepassing op het aantal inteeltlijnen waarvoor door de onderzoeksinstelling kosten in rekening worden gebracht bij de Raad.