BWBR0002537
Geldig vanaf 1966-01-01
Artikel 19
Uitkeringsregeling 1966
1. De betrokkene aan wie een uitkering is toegekend en die, onvrijwillig werkloos zijnde, binnen de termijn gedurende welke hij daaraan aanspraken kan ontlenen, dan wel binnen een maand na afloop van deze termijn, langer dan twee dagen aaneensluitend wegens ziekte verhinderd wordt arbeid te verrichten, ontvangt van de derde dag af gedurende de tijd van bedoelde verhindering, doch hoogstens gedurende een tijdvak van 52 weken een uitkering ten bedrage van 80% van de bezoldiging. Het bepaalde in artikel 42, vijfde lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglementis voor zoveel mogelijk van overeenkomstige toepassing.
2. Voor de uitvoering van het eerste lid is Hoofdstuk VI van het Algemeen Rijksambtenarenreglementvoor zoveel mogelijk van overeenkomstige toepassing.
3. Gedurende het tijdvak dat een uitkering, bedoeld in het eerste lid, wordt verleend, vindt artikel 16, eerste en tweede lid, overeenkomstige toepassing.
4. Op de uitkering, bedoeld in het eerste lid, vindt artikel 9overeenkomstige toepassing.
2. Voor de uitvoering van het eerste lid is Hoofdstuk VI van het Algemeen Rijksambtenarenreglementvoor zoveel mogelijk van overeenkomstige toepassing.
3. Gedurende het tijdvak dat een uitkering, bedoeld in het eerste lid, wordt verleend, vindt artikel 16, eerste en tweede lid, overeenkomstige toepassing.
4. Op de uitkering, bedoeld in het eerste lid, vindt artikel 9overeenkomstige toepassing.