BWBR0002515
Geldig vanaf 1966-01-01
Artikel 4d
Wet op de dividendbelasting 1965
1. Bij een beleggingsinstelling of instelling voor collectieve belegging in effecten als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0020368/artikel/1:1" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht</a>mag voorts inhouding van de belasting achterwege blijven ten aanzien van een inkoop van aandelen als bedoeld in artikel 3, vierde lid, voorzover de grondslag voor de inhouding van de belasting van de ingekochte aandelen door de instelling in mindering wordt gebracht van een agioreserve of een herbeleggingsreserve.
2. Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:
a. agioreserve: het in de instelling gestorte kapitaal voorzover dit uitgaat boven de nominale waarde van de in het economische verkeer zijnde aandelen in de instelling;
b. herbeleggingsreserve: de herbeleggingsreserve die door de instelling is gevormd ingevolge de nadere regelen die zijn gegeven krachtens artikel 28 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 met betrekking tot de heffing van vennootschapsbelasting van beleggingsinstellingen.
2. Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:
a. agioreserve: het in de instelling gestorte kapitaal voorzover dit uitgaat boven de nominale waarde van de in het economische verkeer zijnde aandelen in de instelling;
b. herbeleggingsreserve: de herbeleggingsreserve die door de instelling is gevormd ingevolge de nadere regelen die zijn gegeven krachtens artikel 28 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 met betrekking tot de heffing van vennootschapsbelasting van beleggingsinstellingen.