BWBR0002494
Geldig vanaf 01-01-1973
Artikel 34
Besluit bedrijfsspaarregelingen
1. Het spaarloon moet door een in de regeling aangewezen instelling die de gelden beheert, voor iedere werknemer - onder vermelding van het jaar van storting - afzonderlijk worden geadministreerd op een bijzondere rekening - hierna te noemen: spaarloonrekening - niet zijnde een spaarrekening in de zin van de artikelen 3, eerste lid, of 22, eerste lid, of een jeugdspaarrekening in de zin van de Jeugdspaarwet.
2. Als instelling bedoeld in het eerste lid, kunnen worden aangewezen de natuurlijke personen en de rechtspersonen die bij of krachtens artikel 1637s, tweede lid, letters c en d, van het Burgerlijk Wetboek tot beheer van spaargelden zijn toegelaten.
3. Het aan de werknemer toekomende spaarloon mag, ingeval alle onder de regeling vallende werknemers daartoe zijn gehouden, worden omgezet in aandelen in dan wel schuldvorderingen op het vermogen van de werkgever en, indien het wordt beheerd door een fonds, in op naam van de werknemer gestelde en - behoudens vervreemding aan het fonds na afloop van de blokkeringsverplichting - niet verhandelbare bewijzen van deelgerechtigdheid in dat fonds, een en ander binnen de grenzen gesteld krachtens artikel 1637s, tweede lid, onder c en d, van het Burgerlijk Wetboek. Deze aandelen, schuldvorderingen en bewijzen van deelgerechtigdheid worden voor de toepassing van de volgende bepalingen van dit besluit aangemerkt als spaarloon.
4. De in het derde lid bedoelde aandelen en schuldvorderingen moeten door of onder verantwoordelijkheid van degene die het spaarloon beheert, worden bewaard.
5. Het spaarloon mag door de werknemer niet worden vervreemd of bezwaard.
2. Als instelling bedoeld in het eerste lid, kunnen worden aangewezen de natuurlijke personen en de rechtspersonen die bij of krachtens artikel 1637s, tweede lid, letters c en d, van het Burgerlijk Wetboek tot beheer van spaargelden zijn toegelaten.
3. Het aan de werknemer toekomende spaarloon mag, ingeval alle onder de regeling vallende werknemers daartoe zijn gehouden, worden omgezet in aandelen in dan wel schuldvorderingen op het vermogen van de werkgever en, indien het wordt beheerd door een fonds, in op naam van de werknemer gestelde en - behoudens vervreemding aan het fonds na afloop van de blokkeringsverplichting - niet verhandelbare bewijzen van deelgerechtigdheid in dat fonds, een en ander binnen de grenzen gesteld krachtens artikel 1637s, tweede lid, onder c en d, van het Burgerlijk Wetboek. Deze aandelen, schuldvorderingen en bewijzen van deelgerechtigdheid worden voor de toepassing van de volgende bepalingen van dit besluit aangemerkt als spaarloon.
4. De in het derde lid bedoelde aandelen en schuldvorderingen moeten door of onder verantwoordelijkheid van degene die het spaarloon beheert, worden bewaard.
5. Het spaarloon mag door de werknemer niet worden vervreemd of bezwaard.
- Citeren als
- Art. 34
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0002494
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl