BWBR0002457
Geldig vanaf 1964-10-16
Artikel 5
Noodwet rechtspleging
1. Ieder die voor het leven is benoemd in een gerecht, genoemd in artikel 2 van de Wet op de rechterlijke organisatie, alsmede iedere kantonrechter-plaatsvervanger, die voldoet aan de vereisten voor benoeming tot kantonrechter, kan, voorzover niet reeds krachtens het vorige artikel daartoe bevoegd, tijdelijk optreden als raadsheer-plaatsvervanger, rechter-plaatsvervanger en kantonrechter-plaatsvervanger bij onderscheidenlijk een gerechtshof, of rechtbank, waarvoor de in artikel 4omschreven voorziening is getroffen.
2. De personen, in het vorige lid bedoeld, die tijdelijk verblijven in het rechtsgebied van een gerecht, waarvoor de in artikel 4omschreven voorziening is getroffen, stellen zich, voorzover dit verenigbaar is met andere hun bij of krachtens de wet opgelegde plichten, terstond nadat die voorziening is getroffen of hun verblijf sedertdien aanvangt, voor de duur van hun verblijf ter beschikking van de president van het betrokken gerechtshof of de betrokken rechtbank. Deze verplichting geldt niet voor raadsheren-plaatsvervangers, rechters-plaatsvervangers en kantonrechters-plaatsvervangers; zij doen, tenzij zij wegens hun bij of krachtens de wet opgelegde plichten niet voor rechtspraak beschikbaar zijn, mededeling van hun verblijf aan bedoelde president.
2. De personen, in het vorige lid bedoeld, die tijdelijk verblijven in het rechtsgebied van een gerecht, waarvoor de in artikel 4omschreven voorziening is getroffen, stellen zich, voorzover dit verenigbaar is met andere hun bij of krachtens de wet opgelegde plichten, terstond nadat die voorziening is getroffen of hun verblijf sedertdien aanvangt, voor de duur van hun verblijf ter beschikking van de president van het betrokken gerechtshof of de betrokken rechtbank. Deze verplichting geldt niet voor raadsheren-plaatsvervangers, rechters-plaatsvervangers en kantonrechters-plaatsvervangers; zij doen, tenzij zij wegens hun bij of krachtens de wet opgelegde plichten niet voor rechtspraak beschikbaar zijn, mededeling van hun verblijf aan bedoelde president.