BWBR0002414
Geldig vanaf 2001-08-24
Artikel 10
Samenloopregeling Indonesische pensioenen 1960
1. Bij gelijktijdige aanspraak op een of meer weduwenpensioenen onderscheidenlijk een of meer wezenonderstanden en een algemene nabestaandenuitkering onderscheidenlijk een algemene wezenuitkering, wordt, voor zover tijdvakken als bedoeld in het voorgaande artikel onder <em>a</em>en <em>b</em>samenvallen, gerekend van 1 januari 1963 af, de uitbetaling van het weduwenpensioen of de weduwenpensioenen onderscheidenlijk de wezenonderstand of de wezenonderstanden iedere maand beperkt naar reden van 2 ten honderd van het in artikel 26, eerste lid, onder b en cbedoelde volle algemene nabestaandenuitkering onderscheidenlijk algemene wezenuitkering per samenvallend jaar.
2. Indien een weduwe recht heeft op een algemene nabestaandenuitkering op grond van <a href="/wet/BWBR0007795/artikel/14" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 14, eerste lid, onderdeel a, en derde lid, van de Algemene nabestaandenwet</a>, doch geen van de in even genoemde bepalingen bedoelde kinderen recht heeft op wezenonderstand, wordt de beperking berekend naar de algemene nabestaandenuitkering, bedoeld in <a href="/wet/BWBR0007795/artikel/17" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 17, eerste lid, van de Algemene nabestaandenwet</a>.
3. Indien het bedrag, dat aan een weduwe aan een of meer weduwenpensioenen is toegekend, per maand in totaal minder bedraagt dan 5/84 van een ouderdomspensioen als bedoeld in het tweede lid van artikel 4, wordt gerekend van 1 januari 1972 af, het met toepassing van het eerste onderscheidenlijk het tweede lid berekende bedrag van de beperking vermenigvuldigd met een breuk, waarvan de teller is eerstbedoeld bedrag en de noemer is 5/84 van dat ouderdomspensioen.
4. Indien het bedrag, dat aan volle wees aan een of meer wezenonderstanden is dan wel, ingevolge het bepaalde in artikel 8, wordt geacht te zijn toegekend per maand minder bedraagt dan:
a. indien wezenonderstand is toegekend aan 1, 2 of 3 wezen: voor iedere wees 1/42 deel;
b. indien wezenonderstand is toegekend aan 4 of meer wezen: voor iedere wees 1/12 deel gedeeld door hun aantal, van een ouderdomspensioen als bedoeld in het tweede lid van artikel 4, wordt, gerekend van 1 januari 1972 af, het met toepassing van het eerste lid berekende bedrag van de beperking vermenigvuldigd met een breuk, waarvan de teller is eerstbedoeld bedrag en de noemer is het onder a onderscheidenlijk b genoemde deel van dat ouderdomspensioen.
5. Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties kan nadere regels stellen met betrekking tot de in de vorige leden bedoelde beperking te hanteren bedragen.
2. Indien een weduwe recht heeft op een algemene nabestaandenuitkering op grond van <a href="/wet/BWBR0007795/artikel/14" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 14, eerste lid, onderdeel a, en derde lid, van de Algemene nabestaandenwet</a>, doch geen van de in even genoemde bepalingen bedoelde kinderen recht heeft op wezenonderstand, wordt de beperking berekend naar de algemene nabestaandenuitkering, bedoeld in <a href="/wet/BWBR0007795/artikel/17" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 17, eerste lid, van de Algemene nabestaandenwet</a>.
3. Indien het bedrag, dat aan een weduwe aan een of meer weduwenpensioenen is toegekend, per maand in totaal minder bedraagt dan 5/84 van een ouderdomspensioen als bedoeld in het tweede lid van artikel 4, wordt gerekend van 1 januari 1972 af, het met toepassing van het eerste onderscheidenlijk het tweede lid berekende bedrag van de beperking vermenigvuldigd met een breuk, waarvan de teller is eerstbedoeld bedrag en de noemer is 5/84 van dat ouderdomspensioen.
4. Indien het bedrag, dat aan volle wees aan een of meer wezenonderstanden is dan wel, ingevolge het bepaalde in artikel 8, wordt geacht te zijn toegekend per maand minder bedraagt dan:
a. indien wezenonderstand is toegekend aan 1, 2 of 3 wezen: voor iedere wees 1/42 deel;
b. indien wezenonderstand is toegekend aan 4 of meer wezen: voor iedere wees 1/12 deel gedeeld door hun aantal, van een ouderdomspensioen als bedoeld in het tweede lid van artikel 4, wordt, gerekend van 1 januari 1972 af, het met toepassing van het eerste lid berekende bedrag van de beperking vermenigvuldigd met een breuk, waarvan de teller is eerstbedoeld bedrag en de noemer is het onder a onderscheidenlijk b genoemde deel van dat ouderdomspensioen.
5. Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties kan nadere regels stellen met betrekking tot de in de vorige leden bedoelde beperking te hanteren bedragen.