BWBR0002380
Geldig vanaf 2003-02-06
Artikel 1c
Bestrijdingsmiddelenwet 1962
1. Het college bestaat uit vijf leden, de voorzitter daaronder begrepen, en ten hoogste vier plaatsvervangende leden, die op voordracht van Onze Minister bij koninklijk besluit worden benoemd en ontslagen. De benoeming vindt plaats op grond van deskundigheid op het gebied van de taken waarmee het college is belast. Geen benoeming vindt plaats van aan Onze Ministers ondergeschikte personen.
2. De leden wijzen uit hun midden een plaatsvervangend voorzitter aan.
3. De leden, de plaatsvervangers en de voorzitter worden voor de duur van vier jaren benoemd. Zij zijn ten hoogste twee keer herbenoembaar.
4. De leden hebben op persoonlijke titel zitting in het college en oefenen hun functie uit zonder last of ruggespraak.
5. De leden en de plaatsvervangend leden kunnen om zwaarwichtige redenen door Onze Minister worden geschorst of tussentijds worden ontslagen. Ontslag kan op eigen verzoek worden verleend.
6. Zolang in een vacature niet is voorzien, vormen de overblijvende leden het college, met de bevoegdheid van het volledig college.
7. Degene die is benoemd ter vervanging van een tussentijds opengevallen plaats, treedt af op het tijdstip waarop degene in wiens plaats hij is benoemd, zou moeten aftreden.
8. Het college regelt bij reglement zijn werkwijze. Het reglement behoeft de instemming van Onze Minister.
9. Onze Minister kent de leden van het college een vergoeding toe voor hun werkzaamheden. Deze vergoeding komt ten laste van het college.
2. De leden wijzen uit hun midden een plaatsvervangend voorzitter aan.
3. De leden, de plaatsvervangers en de voorzitter worden voor de duur van vier jaren benoemd. Zij zijn ten hoogste twee keer herbenoembaar.
4. De leden hebben op persoonlijke titel zitting in het college en oefenen hun functie uit zonder last of ruggespraak.
5. De leden en de plaatsvervangend leden kunnen om zwaarwichtige redenen door Onze Minister worden geschorst of tussentijds worden ontslagen. Ontslag kan op eigen verzoek worden verleend.
6. Zolang in een vacature niet is voorzien, vormen de overblijvende leden het college, met de bevoegdheid van het volledig college.
7. Degene die is benoemd ter vervanging van een tussentijds opengevallen plaats, treedt af op het tijdstip waarop degene in wiens plaats hij is benoemd, zou moeten aftreden.
8. Het college regelt bij reglement zijn werkwijze. Het reglement behoeft de instemming van Onze Minister.
9. Onze Minister kent de leden van het college een vergoeding toe voor hun werkzaamheden. Deze vergoeding komt ten laste van het college.