BWBR0002329
Geldig vanaf 1959-10-01
Artikel 8
Aanvaarding functie door leden SER, enz.
1. Indien een door Ons aangewezen organisatie niet binnen drie maanden na haar aanwijzing en vervolgens uiterlijk vier weken vóór het begin van iedere zittingsperiode van de Sociaal-Economische Raad, een aantal mededelingen, als bedoeld in artikel 2, eerste lid, overeenkomende met het aantal door haar te benoemen leden of bestuursleden, heeft doen toekomen aan de voorzitter van de Sociaal-Economische Raad, stelt deze Onze in artikel 1bedoelde Minister daarvan onverwijld in kennis.
2. Hetzelfde doet de voorzitter, indien een organisatie hem niet binnen vier weken, nadat hij haar heeft bericht, dat een door haar benoemd lid of bestuurslid zijn benoeming niet heeft aangenomen, of nadat hij of het dagelijks bestuur van de Sociaal-Economische Raad haar een mededeling heeft doen toekomen op grond van de artikelen 5of 7 van dit besluit, een nieuwe kennisgeving, als bedoeld in artikel 2, eerste lid, heeft gedaan.
3. In de gevallen, bedoeld in het eerste en tweede lid, kan Onze in artikel 1bedoelde Minister het benoemingsrecht van de betrokken organisatie schorsen. Behoudens eerdere opheffing vervalt de schorsing indien niet binnen zes maanden nadat de schorsing is bekendgemaakt een koninklijk besluit als bedoeld in het vierde lid is genomen.
4. In de gevallen, bedoeld in het eerste en in het tweede lid, kunnen Wij de aanwijzing van de betrokken organisatie intrekken en een nieuwe aanwijzing doen.
5. Indien twee of meer organisaties zijn aangewezen tot het gezamenlijk doen van een benoeming, zijn de voorgaande leden van dit artikel van overeenkomstige toepassing.
2. Hetzelfde doet de voorzitter, indien een organisatie hem niet binnen vier weken, nadat hij haar heeft bericht, dat een door haar benoemd lid of bestuurslid zijn benoeming niet heeft aangenomen, of nadat hij of het dagelijks bestuur van de Sociaal-Economische Raad haar een mededeling heeft doen toekomen op grond van de artikelen 5of 7 van dit besluit, een nieuwe kennisgeving, als bedoeld in artikel 2, eerste lid, heeft gedaan.
3. In de gevallen, bedoeld in het eerste en tweede lid, kan Onze in artikel 1bedoelde Minister het benoemingsrecht van de betrokken organisatie schorsen. Behoudens eerdere opheffing vervalt de schorsing indien niet binnen zes maanden nadat de schorsing is bekendgemaakt een koninklijk besluit als bedoeld in het vierde lid is genomen.
4. In de gevallen, bedoeld in het eerste en in het tweede lid, kunnen Wij de aanwijzing van de betrokken organisatie intrekken en een nieuwe aanwijzing doen.
5. Indien twee of meer organisaties zijn aangewezen tot het gezamenlijk doen van een benoeming, zijn de voorgaande leden van dit artikel van overeenkomstige toepassing.