BWBR0002316
Geldig vanaf 1959-08-23
Artikel 3
Besluit ex artikel 5 Wet van 10 juli 1952, Stb. 407
1. Indien in het in artikel 2, eerste lid, omschreven geval bij verkoop volgens goed koopmansgebruik van het goed na de intrekking van het bevel de verkoopprijs een nadelig verschil vertoont met het geïnvesteerde kapitaal, vermeerderd met het ten tijde van de verkoop bestaande verschil tussen de gemiddelde verkoopprijs en de gemiddelde inkoopprijs - of, zo toen geen inkoop plaats had, de gemiddelde kostprijs - van soortgelijke goederen van de onderneming, wordt de rechthebbende tevens schadeloos gesteld door vergoeding van het nadelige verschil. Indien de verkoopprijs een voordelig verschil vertoont, wordt bij de vaststelling van de schadeloosstelling het bedrag van het voordelige verschil verrekend.
2. Indien in het in artikel 2, eerste lid, omschreven geval bij normaal verbruik of gebruik van het goed na de intrekking van het bevel de ten tijde van de aanvang van het verbruik of gebruik geldende gemiddelde inkoopprijs - of, zo toen geen inkoop plaats had, de gemiddelde kostprijs - van soortgelijke goederen van de onderneming minder bedraagt dan het geïnvesteerde kapitaal, wordt de rechthebbende tevens schadeloos gesteld door vergoeding van het nadelige verschil. Indien de gemiddelde inkoopprijs of kostprijs meer bedraagt dan het geïnvesteerde kapitaal wordt bij de vaststelling van de schadeloosstelling het bedrag van het voordelige verschil verrekend.
3. Indien in het in artikel 2, eerste lid, omschreven geval bij onteigening of vordering van het goed na de intrekking van het bevel het bedrag, dat bij de vaststelling van de schadeloosstelling in verband met de onteigening of de vordering als waarde van het goed is aangenomen, een nadelig verschil vertoont met het geïnvesteerde kapitaal, vermeerderd met het ten tijde van de onteigening of vordering bestaande verschil tussen de gemiddelde verkoopprijs en de gemiddelde inkoopprijs - of, zo toen geen inkoop plaats had, de gemiddelde kostprijs - van soortgelijke goederen van de onderneming, wordt de rechthebbende tevens schadeloos gesteld door vergoeding van het nadelige verschil. Indien vorenbedoeld bedrag een voordelig verschil vertoont, wordt bij de vaststelling van de schadeloosstelling het bedrag van het voordelige verschil verrekend.
4. Indien een der in de voorafgaande leden bedoelde gemiddelde prijzen niet kan worden bepaald, wordt voor de toepassing van het betrokken lid uitgegaan van de ten tijde van de verkoop, van de aanvang van het verbruik of gebruik, dan wel van de onteigening of vordering van het goed algemeen geldende inkoop-, kost- en verkoopprijs van soortgelijke goederen of, kan ook deze niet worden bepaald, van zoveel mogelijk gelijksoortige goederen.
2. Indien in het in artikel 2, eerste lid, omschreven geval bij normaal verbruik of gebruik van het goed na de intrekking van het bevel de ten tijde van de aanvang van het verbruik of gebruik geldende gemiddelde inkoopprijs - of, zo toen geen inkoop plaats had, de gemiddelde kostprijs - van soortgelijke goederen van de onderneming minder bedraagt dan het geïnvesteerde kapitaal, wordt de rechthebbende tevens schadeloos gesteld door vergoeding van het nadelige verschil. Indien de gemiddelde inkoopprijs of kostprijs meer bedraagt dan het geïnvesteerde kapitaal wordt bij de vaststelling van de schadeloosstelling het bedrag van het voordelige verschil verrekend.
3. Indien in het in artikel 2, eerste lid, omschreven geval bij onteigening of vordering van het goed na de intrekking van het bevel het bedrag, dat bij de vaststelling van de schadeloosstelling in verband met de onteigening of de vordering als waarde van het goed is aangenomen, een nadelig verschil vertoont met het geïnvesteerde kapitaal, vermeerderd met het ten tijde van de onteigening of vordering bestaande verschil tussen de gemiddelde verkoopprijs en de gemiddelde inkoopprijs - of, zo toen geen inkoop plaats had, de gemiddelde kostprijs - van soortgelijke goederen van de onderneming, wordt de rechthebbende tevens schadeloos gesteld door vergoeding van het nadelige verschil. Indien vorenbedoeld bedrag een voordelig verschil vertoont, wordt bij de vaststelling van de schadeloosstelling het bedrag van het voordelige verschil verrekend.
4. Indien een der in de voorafgaande leden bedoelde gemiddelde prijzen niet kan worden bepaald, wordt voor de toepassing van het betrokken lid uitgegaan van de ten tijde van de verkoop, van de aanvang van het verbruik of gebruik, dan wel van de onteigening of vordering van het goed algemeen geldende inkoop-, kost- en verkoopprijs van soortgelijke goederen of, kan ook deze niet worden bepaald, van zoveel mogelijk gelijksoortige goederen.