BWBR0002316
Geldig vanaf 1959-08-23
Artikel 14
Besluit ex artikel 5 Wet van 10 juli 1952, Stb. 407
1. Tot vaststelling van een schadeloosstelling wordt door of namens de rechthebbende, indien het een krachtens artikel 2gegeven bevel betreft, binnen zes maanden na de intrekking van het bevel of, in geval van toepassing van artikel 2, tweede lid, of 6, tweede lid, binnen zes maanden na het einde van de daarin bedoelde tijdsruimte, en indien het een krachtens artikel 2 agegeven bevel betreft, binnen drie maanden nadat aan dat bevel is voldaan, een aanvrage ingediend.
2. Indien niet wordt voldaan aan het in het eerste lid bepaalde, wordt geacht dat met de rechthebbende ten aanzien van de schadeloosstelling geen overeenstemming is bereikt.
3. Tot verlening van een voorschot over een kalenderkwartaal krachtens artikel 5wordt door of namens de rechthebbende binnen een maand na afloop van het kwartaal een aanvrage ingediend.
4. Aanvragen, welke worden ingediend na het verstrijken van de in het derde lid gestelde termijn, blijven buiten behandeling, tenzij ten genoegen van Onze betrokken Minister en van Onze Minister van Economische Zaken is aangetoond, dat de indiening redelijkerwijs niet binnen die termijn kon plaats vinden.
2. Indien niet wordt voldaan aan het in het eerste lid bepaalde, wordt geacht dat met de rechthebbende ten aanzien van de schadeloosstelling geen overeenstemming is bereikt.
3. Tot verlening van een voorschot over een kalenderkwartaal krachtens artikel 5wordt door of namens de rechthebbende binnen een maand na afloop van het kwartaal een aanvrage ingediend.
4. Aanvragen, welke worden ingediend na het verstrijken van de in het derde lid gestelde termijn, blijven buiten behandeling, tenzij ten genoegen van Onze betrokken Minister en van Onze Minister van Economische Zaken is aangetoond, dat de indiening redelijkerwijs niet binnen die termijn kon plaats vinden.