BWBR0002308
Geldig vanaf 1959-07-01
Artikel 6
Instellingswet Bedrijfschap Detailhandel in Alcoholhoudende Dranken
1. Onverminderd het in het tweede en het vierde lid bepaalde worden de door het bedrijfschap krachtens artikel 126, eerste lid, van de Wet op de Bedrijfsorganisatieop te leggen heffingen vastgesteld op grondslag van de in iedere onderneming, waarvoor het bedrijfschap is ingesteld, bij de uitoefening van het in artikel 2, eerste lid, bedoelde bedrijf bereikte, in geld uitgedrukte omzet. Het tarief van de heffingen kan voor verschillende in de heffingsverordening aangewezen groepen van ondernemingen of voor verschillende daarin aangewezen groepen van diensten verschillend zijn.
2. Een periodieke heffing kan ook, als basisheffing, worden opgelegd tot een bedrag, dat voor alle bij het drijven van een onderneming, waarvoor het bedrijfschap is ingesteld, geëxploiteerde verkoopplaatsen gelijk is.
3. Een verordening, waarbij een heffing wordt opgelegd op een in het eerste of het tweede lid bedoelde grondslag, houdt een vrijstelling in van het betalen van die heffing voor degenen, die een onderneming drijven, waarin, in een bij die verordening aangewezen tijdvak van een jaar, in de uitoefening van de detailhandel niet meer dan 1000 liter sterkalcoholische dranken met een gemiddelde consumptiesterkte van 35% is verkocht.
4. Heffingen, waarvan de opbrengst een bijzondere bestemming heeft, kunnen worden opgelegd naar een grondslag, welke het bestuur van het bedrijfschap in verband met die bestemming passend acht.
2. Een periodieke heffing kan ook, als basisheffing, worden opgelegd tot een bedrag, dat voor alle bij het drijven van een onderneming, waarvoor het bedrijfschap is ingesteld, geëxploiteerde verkoopplaatsen gelijk is.
3. Een verordening, waarbij een heffing wordt opgelegd op een in het eerste of het tweede lid bedoelde grondslag, houdt een vrijstelling in van het betalen van die heffing voor degenen, die een onderneming drijven, waarin, in een bij die verordening aangewezen tijdvak van een jaar, in de uitoefening van de detailhandel niet meer dan 1000 liter sterkalcoholische dranken met een gemiddelde consumptiesterkte van 35% is verkocht.
4. Heffingen, waarvan de opbrengst een bijzondere bestemming heeft, kunnen worden opgelegd naar een grondslag, welke het bestuur van het bedrijfschap in verband met die bestemming passend acht.