De justitiële documentatiedienst registreert:
1. de op of na de dag der inwerkingtreding van de wet door de officier van justitie in behandeling genomen zaken tegen: a. iedere natuurlijke persoon, rechtspersoon of vennootschap, aangemerkt als verdacht van enig feit, waarvan een rechtbank anders dan ingevolge artikel 382, eerste lid, onderdeel d, van het Wetboek van Strafvordering in eerste aanleg kennis neemt, met uitzondering evenwel van het feit bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de Opiumwet;
b. iedere natuurlijke persoon, rechtspersoon of vennootschap, aangemerkt als verdacht van een overtreding van de artikelen: 314 van het Wetboek van Strafrecht, 424 van het Wetboek van Strafrecht, 425 van het Wetboek van Strafrecht, 426 van het Wetboek van Strafrecht, 426bis van het Wetboek van Strafrecht, 427 van het Wetboek van Strafrecht, 428 van het Wetboek van Strafrecht, 429 van het Wetboek van Strafrecht, 429bis van het Wetboek van Strafrecht, 429ter van het Wetboek van Strafrecht, 429quater van het Wetboek van Strafrecht, 429quinquies van het Wetboek van Strafrecht, 430 van het Wetboek van Strafrecht, 435a van het Wetboek van Strafrecht, 435b van het Wetboek van Strafrecht, 437 van het Wetboek van Strafrecht, 437bis van het Wetboek van Strafrecht, 437ter van het Wetboek van Strafrecht, 437quater van het Wetboek van Strafrecht, 438 van het Wetboek van Strafrecht, 450 van het Wetboek van Strafrecht, 451 van het Wetboek van Strafrecht, 451bis van het Wetboek van Strafrecht, 455 van het Wetboek van Strafrecht, 463 van het Wetboek van Strafrecht, 30, eerste, tweede en vierde lid, van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen (uitgezonderd bromfietsen), 34, derde lid, van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen, 107, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994, 19, 20, onderdeel a, 21, onderdeel a en 62 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 jo bord A1 of A3 van bijlage I (voor zover motorvoertuigen betreffende), elk indien de maximumsnelheid met meer dan 30 km per uur is overschreden, dan wel van een overtreding van: de Wet op de kansspelen, de Wet van 9 mei 1890, Stb. 81, houdende verbodsbepalingen tegen het dragen van wapenen, de Wet wapens en munitie (Stb. 1986, 41).
a. iedere natuurlijke persoon, rechtspersoon of vennootschap, aangemerkt als verdacht van enig feit, waarvan een rechtbank anders dan ingevolge artikel 382, eerste lid, onderdeel d, van het Wetboek van Strafvordering in eerste aanleg kennis neemt, met uitzondering evenwel van het feit bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de Opiumwet;
b. iedere natuurlijke persoon, rechtspersoon of vennootschap, aangemerkt als verdacht van een overtreding van de artikelen: 314 van het Wetboek van Strafrecht, 424 van het Wetboek van Strafrecht, 425 van het Wetboek van Strafrecht, 426 van het Wetboek van Strafrecht, 426bis van het Wetboek van Strafrecht, 427 van het Wetboek van Strafrecht, 428 van het Wetboek van Strafrecht, 429 van het Wetboek van Strafrecht, 429bis van het Wetboek van Strafrecht, 429ter van het Wetboek van Strafrecht, 429quater van het Wetboek van Strafrecht, 429quinquies van het Wetboek van Strafrecht, 430 van het Wetboek van Strafrecht, 435a van het Wetboek van Strafrecht, 435b van het Wetboek van Strafrecht, 437 van het Wetboek van Strafrecht, 437bis van het Wetboek van Strafrecht, 437ter van het Wetboek van Strafrecht, 437quater van het Wetboek van Strafrecht, 438 van het Wetboek van Strafrecht, 450 van het Wetboek van Strafrecht, 451 van het Wetboek van Strafrecht, 451bis van het Wetboek van Strafrecht, 455 van het Wetboek van Strafrecht, 463 van het Wetboek van Strafrecht, 30, eerste, tweede en vierde lid, van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen (uitgezonderd bromfietsen), 34, derde lid, van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen, 107, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994, 19, 20, onderdeel a, 21, onderdeel a en 62 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 jo bord A1 of A3 van bijlage I (voor zover motorvoertuigen betreffende), elk indien de maximumsnelheid met meer dan 30 km per uur is overschreden, dan wel van een overtreding van: de Wet op de kansspelen, de Wet van 9 mei 1890, Stb. 81, houdende verbodsbepalingen tegen het dragen van wapenen, de Wet wapens en munitie (Stb. 1986, 41).
2. de op of na de dag der inwerkingtreding van de wet door de procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden in behandeling genomen zaken, waarvan de Hoge Raad ingevolge artikel 76 van de Wet op de rechterlijke organisatie in eerste en laatste ressort kennis neemt.
3. de navolgende wijzen van afdoening van de hierboven genoemde zaken: a. overdracht aan een ander vervolgend orgaan;
b. voeging bij een andere zaak;
c. seponering;
d. beslissing tot voorwaardelijk niet-vervolgen;
e. transactie;
f. onherroepelijke vrijspraak;
g. onherroepelijk ontslag van rechtsvervolging;
h. onherroepelijke veroordeling;
i. onherroepelijke terbeschikkingstelling van de Regering;
j. onherroepelijke oplegging van de maatregel van plaatsing in een inrichting voor buitengewone behandeling;
k. onherroepelijke ondertoezichtstelling;
l. onherroepelijke schuldigverklaring zonder toepassing van straf of maatregel;
m. de oplegging van de maatregel tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel;
n. plaatsing in een inrichting voor jeugdigen;
o. de oplegging van de maatregel tot betaling aan de staat van een som geld ten behoeve van het slachtoffer;
p. onherroepelijke terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege;
q. onherroepelijke terbeschikkingstelling met voorwaarden.
a. overdracht aan een ander vervolgend orgaan;
b. voeging bij een andere zaak;
c. seponering;
d. beslissing tot voorwaardelijk niet-vervolgen;
e. transactie;
f. onherroepelijke vrijspraak;
g. onherroepelijk ontslag van rechtsvervolging;
h. onherroepelijke veroordeling;
i. onherroepelijke terbeschikkingstelling van de Regering;
j. onherroepelijke oplegging van de maatregel van plaatsing in een inrichting voor buitengewone behandeling;
k. onherroepelijke ondertoezichtstelling;
l. onherroepelijke schuldigverklaring zonder toepassing van straf of maatregel;
m. de oplegging van de maatregel tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel;
n. plaatsing in een inrichting voor jeugdigen;
o. de oplegging van de maatregel tot betaling aan de staat van een som geld ten behoeve van het slachtoffer;
p. onherroepelijke terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege;
q. onherroepelijke terbeschikkingstelling met voorwaarden.
4. de onherroepelijke afdoening van - op of na de dag der inwerkingtreding van de wet - door de officier van justitie in behandeling genomen zaken niet onder 1b van dit artikel genoemd, tegen iedere natuurlijke persoon, rechtspersoon of vennootschap, die werd aangemerkt als verdacht van enig feit, waarvan de rechtbank in eerste aanleg kennis neemt voor zover daarbij a. een veroordeling is uitgesproken wegens overtreding van: artikel 436 van het Wetboek van Strafrecht, artikel 436a van het Wetboek van Strafrecht, artikel 453 van het Wetboek van Strafrecht, de Arbeidswet, de Drank- en Horecawet, de Jachtwet, de Leerplichtwet 1969, de Wet van 1 augustus 1964, Stb. 363, houdende regelen met betrekking tot de handel in antibiotica, hormoonpreparaten, thyreostatica en chemotherapeutica, bestemd of mede bestemd voor aanwending bij dieren, de Wet op de Uitoefening van de Diergeneeskunst, de Wet op de Uitoefening van de Geneeskunst, de Wet op de paramedische beroepen, de Wet op de Tandheelkundige inrichtingen, de Veiligheidswet, de Vogelwet 1936, de Vreemdelingenwet 2000;
b. een principale vrijheidsstraf is opgelegd;
c. een geldboete is opgelegd en deze een totale last van € 100 of meer beloopt;
d. de ontzegging van de rijbevoegdheid of van de bevoegdheid een luchtvaartuig te bedienen is uitgesproken;
e. een transactie tot stand is gekomen, waarbij het betaalde bedrag een totale last van € 100 of meer beloopt;
a. een veroordeling is uitgesproken wegens overtreding van: artikel 436 van het Wetboek van Strafrecht, artikel 436a van het Wetboek van Strafrecht, artikel 453 van het Wetboek van Strafrecht, de Arbeidswet, de Drank- en Horecawet, de Jachtwet, de Leerplichtwet 1969, de Wet van 1 augustus 1964, Stb. 363, houdende regelen met betrekking tot de handel in antibiotica, hormoonpreparaten, thyreostatica en chemotherapeutica, bestemd of mede bestemd voor aanwending bij dieren, de Wet op de Uitoefening van de Diergeneeskunst, de Wet op de Uitoefening van de Geneeskunst, de Wet op de paramedische beroepen, de Wet op de Tandheelkundige inrichtingen, de Veiligheidswet, de Vogelwet 1936, de Vreemdelingenwet 2000;
b. een principale vrijheidsstraf is opgelegd;
c. een geldboete is opgelegd en deze een totale last van € 100 of meer beloopt;
d. de ontzegging van de rijbevoegdheid of van de bevoegdheid een luchtvaartuig te bedienen is uitgesproken;
e. een transactie tot stand is gekomen, waarbij het betaalde bedrag een totale last van € 100 of meer beloopt;
5. de oplegging van voorlopige maatregelen als bedoeld in de artikelen 28 en 29 der Wet op de economische delicten, alsmede hun beëindiging, verlenging, wijziging, intrekking of opheffing, genomen in zaken als genoemd onder 1a van dit artikel.
6. de op of na de dag der inwerkingtreding van de wet door de advocaat-fiscaal voor de krijgsmacht, door de auditeur-militair of door de fiscaal in behandeling genomen zaken tegen iedere natuurlijke persoon verdacht van a. een misdrijf, zoals omschreven in het Wetboek van Militair Strafrecht;
b. een commuun misdrijf of van een economisch delict;
c. een overtreding als genoemd in dit artikel onder 1b.
a. een misdrijf, zoals omschreven in het Wetboek van Militair Strafrecht;
b. een commuun misdrijf of van een economisch delict;
c. een overtreding als genoemd in dit artikel onder 1b.
7. de onder 3 van dit artikel vermelde wijzen van afdoening van de onder 6 van dit artikel genoemde zaken, met dien verstande dat in de gevallen waarin artikel 12 van de Rechtspleging bij de Land- en de Luchtmacht, artikel 8b van de Rechtspleging bij de Zeemacht of artikel 58 van de Wet op de Krijgstucht is toegepast, als inhoud van de beslissing uitsluitend "krijgstuchtelijke afdoening" wordt vermeld.
8. de onherroepelijke afdoening van door de advocaat-fiscaal voor de krijgsmacht, de auditeur-militair of de fiscaal in behandeling genomen zaken, niet onder 6 van dit artikel genoemd, voor zover daarbij: a. een veroordeling is uitgesproken als bedoeld onder 4a van dit artikel;
b. een principale vrijheidsstraf is opgelegd;
c. een geldboete is opgelegd en deze een totale last van € 100 of meer beloopt;
d. de ontzegging van de rijbevoegdheid of van de bevoegdheid een luchtvaartuig te bedienen is uitgesproken;
e. een transactie tot stand is gekomen waarbij het betaalde bedrag een totale last van € 100 of meer beloopt.
a. een veroordeling is uitgesproken als bedoeld onder 4a van dit artikel;
b. een principale vrijheidsstraf is opgelegd;
c. een geldboete is opgelegd en deze een totale last van € 100 of meer beloopt;
d. de ontzegging van de rijbevoegdheid of van de bevoegdheid een luchtvaartuig te bedienen is uitgesproken;
e. een transactie tot stand is gekomen waarbij het betaalde bedrag een totale last van € 100 of meer beloopt.
9. de transacties, op of na de dag van inwerkingtreding van de wet, gesloten door De Nederlandsche Bank N.V. te Amsterdam en door de directeurs der rijksbelastingen op grond van de bevoegdheid, toegekend bij het Koninklijk besluit van 1 mei 1951 (Nederlandse Staatscourant d.d. 11 mei 1951);
10. de onherroepelijke afdoening van door de officier van justitie in behandeling genomen zaken tegen iedere natuurlijke persoon, rechtspersoon of vennootschap, die werd aangemerkt als verdacht van het feit bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de Opiumwet voorzover daarbij a. een principale vrijheidsstraf is opgelegd;
b. een geldboete is opgelegd en deze een totale last van € 100 of meer beloopt;
c. een transactie tot stand is gekomen, waarbij het betaalde bedrag een totale last van € 100 of meer beloopt.
a. een principale vrijheidsstraf is opgelegd;
b. een geldboete is opgelegd en deze een totale last van € 100 of meer beloopt;
c. een transactie tot stand is gekomen, waarbij het betaalde bedrag een totale last van € 100 of meer beloopt.
11. de transacties aangegaan door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren van de politie, de Koninklijke marechaussee en de Dienst Wegverkeer ter zake van overtreding van de artikelen 30, eerste, tweede en vierde lid, en 34, derde lid, van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen.
12. de transacties aangegaan door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren terzake van overtredingen van de artikelen 310 en 321 van het Wetboek van Strafrecht alsmede van artikel 8, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994.