BWBR0002249
Geldig vanaf 1957-01-01
Artikel 2
Besluit houdende beperking van een uitkering krachtens de Regeling uitkeringen niet-pensioengerechtigden van land- en zeemacht 1948, Stb. I 543
1. Indien zowel aanspraak bestaat op een uitkering als op een ouderdomspensioen, wordt de uitbetaling van de uitkering op de voet van het bepaalde in het tweede lid beperkt.
2. De in het vorige lid bedoelde beperking van de uitbetaling vindt aldus plaats, dat op de uitkering een bedrag, gelijk aan een zodanig gedeelte van het ouderdomspensioen, voor de groep, waartoe belanghebbende behoort, genoemd in artikel 8, juncto de artikelen 9en 66 van de Algemene Ouderdomswet, in mindering wordt gebracht als het aantal jaren, waarnaar de uitkering is, of krachtens het derde lid wordt geacht te zijn berekend, zich verhoudt tot 50. Voor de beperking van de uitbetaling van de uitkering blijft buiten aanmerking een verhoging van het ouderdomspensioen, ingevolge artikel 9 van de Algemene Ouderdomswet, welke is ingegaan na de datum van ingang van de uitkering, voor zolang en voor zover de desbetreffende uitkering niet geacht kan worden een dienovereenkomstige verhoging te hebben ondergaan.
3. Voor de toepassing van het vorige lid wordt een uitkering, welke niet is berekend naar diensttijd, geacht te zijn berekend naar 40 jaren.
4. Het bedrag van de beperking van de uitbetaling van de uitkering gaat niet te boven het verschil tussen het bedrag van de uitkering en 20 ten honderd van het bedrag van het ouderdomspensioen, bedoeld in het tweede lid.
5. Indien uit meerdere hoofde beperking van de uitbetaling van de uitkering moet plaats vinden, vindt eerst de beperking volgens het eerste lid plaats.
6. Voor de toepassing van het eerste lid wordt een weduwe van 65 jaar of ouder, die aanspraak heeft op een uitkering en krachtens artikel 15, eerste lid, van de Algemene Ouderdomsweteen uitkering ontvangt, gedurende het tijdvak van het genot van laatstbedoelde uitkering geacht aanspraak te hebben op het pensioen, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van die wet.
2. De in het vorige lid bedoelde beperking van de uitbetaling vindt aldus plaats, dat op de uitkering een bedrag, gelijk aan een zodanig gedeelte van het ouderdomspensioen, voor de groep, waartoe belanghebbende behoort, genoemd in artikel 8, juncto de artikelen 9en 66 van de Algemene Ouderdomswet, in mindering wordt gebracht als het aantal jaren, waarnaar de uitkering is, of krachtens het derde lid wordt geacht te zijn berekend, zich verhoudt tot 50. Voor de beperking van de uitbetaling van de uitkering blijft buiten aanmerking een verhoging van het ouderdomspensioen, ingevolge artikel 9 van de Algemene Ouderdomswet, welke is ingegaan na de datum van ingang van de uitkering, voor zolang en voor zover de desbetreffende uitkering niet geacht kan worden een dienovereenkomstige verhoging te hebben ondergaan.
3. Voor de toepassing van het vorige lid wordt een uitkering, welke niet is berekend naar diensttijd, geacht te zijn berekend naar 40 jaren.
4. Het bedrag van de beperking van de uitbetaling van de uitkering gaat niet te boven het verschil tussen het bedrag van de uitkering en 20 ten honderd van het bedrag van het ouderdomspensioen, bedoeld in het tweede lid.
5. Indien uit meerdere hoofde beperking van de uitbetaling van de uitkering moet plaats vinden, vindt eerst de beperking volgens het eerste lid plaats.
6. Voor de toepassing van het eerste lid wordt een weduwe van 65 jaar of ouder, die aanspraak heeft op een uitkering en krachtens artikel 15, eerste lid, van de Algemene Ouderdomsweteen uitkering ontvangt, gedurende het tijdvak van het genot van laatstbedoelde uitkering geacht aanspraak te hebben op het pensioen, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van die wet.