BWBR0002202
Geldig vanaf 2019-02-01
Artikel 39
Gezondheidswet
1. Met betrekking tot de uitvoering van de in artikel 36, eerste lid, onder a, bedoelde taak:
a. zijn de artikelen 5:12, 5:13, 5:15, 5:16, 5:16a, 5:17, 5:18 en 5:20, eerste en tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht van overeenkomstige toepassing en is Onze Minister bevoegd tot overeenkomstige toepassing van artikel 5:20, derde lid, van de Algemeen wet bestuursrecht.
b. hebben de aan de ambtenaren toekomende bevoegdheden, bedoeld in de artikelen 5:16 en 5:17 van de Algemene wet bestuursrecht, mede betrekking op patiëntendossiers.
2. Voor zover de betrokken beroepsbeoefenaar uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk voorschrift tot geheimhouding van het dossier verplicht is, kan de beroepsbeoefenaar deze verplichting, in afwijking van <a href="/wet/BWBR0005537/artikel/5:20" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 5:20, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht</a>, niet inroepen tegenover de ambtenaren indien deze gebruik maken van de bevoegdheden, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b. Op deze ambtenaren rust dezelfde geheimhoudingsplicht als op de betrokken beroepsbeoefenaar.
3. Met betrekking tot de uitvoering van de in artikel 36, eerste lid, onder d, bedoelde taak is het eerste lid, onder a, van overeenkomstige toepassing.
a. zijn de artikelen 5:12, 5:13, 5:15, 5:16, 5:16a, 5:17, 5:18 en 5:20, eerste en tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht van overeenkomstige toepassing en is Onze Minister bevoegd tot overeenkomstige toepassing van artikel 5:20, derde lid, van de Algemeen wet bestuursrecht.
b. hebben de aan de ambtenaren toekomende bevoegdheden, bedoeld in de artikelen 5:16 en 5:17 van de Algemene wet bestuursrecht, mede betrekking op patiëntendossiers.
2. Voor zover de betrokken beroepsbeoefenaar uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk voorschrift tot geheimhouding van het dossier verplicht is, kan de beroepsbeoefenaar deze verplichting, in afwijking van <a href="/wet/BWBR0005537/artikel/5:20" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 5:20, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht</a>, niet inroepen tegenover de ambtenaren indien deze gebruik maken van de bevoegdheden, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b. Op deze ambtenaren rust dezelfde geheimhoudingsplicht als op de betrokken beroepsbeoefenaar.
3. Met betrekking tot de uitvoering van de in artikel 36, eerste lid, onder d, bedoelde taak is het eerste lid, onder a, van overeenkomstige toepassing.