BWBR0002131
Geldig vanaf 1954-06-30
Artikel 3
Instellingsbesluit Bedrijfschap Slagersbedrijf
1. Aan het bedrijfschap is overgelaten de regeling of nadere regeling van de volgende onderwerpen:
a. de berekening van de aanbodprijs in verband met de kosten van de onderneming;
b. het aanbieden of verstrekken van geschenken, in de vorm van goederen of diensten;
c. het geven van kortingen, welke niet uitsluitend verband houden met de jegens de afnemers verschuldigde prestatie;
d. de aanduiding van ten verkoop aangeboden vlees en vleeswaren;
e. de administratie van ondernemingen, waarvoor het bedrijfschap is ingesteld;
f. de lonen en de andere arbeidsvoorwaarden;
g. de vakopleiding;
h. de registratie van de ondernemingen, waarvoor het bedrijfschap is ingesteld en van de in die ondernemingen werkzame personen;
i. het verstrekken van de voor de vervulling van de taak van het bedrijfschap nodige gegevens;
j. de inzage van boeken en bescheiden en de bezichtiging en opneming van bedrijfsmiddelen en voorraden van ondernemingen, voor zover nodig in verband met het toezicht op de naleving van de verordeningen van het bedrijfschap.
2. Verordeningen betreffende de in het eerste lid, onder h, ien j, genoemde onderwerpen behoeven, instede van de in artikel 94 der wet voorziene goedkeuring, die van de Sociaal-Economische Raad, tenzij reeds op grond van enige andere bepaling der wet de goedkeuring van Onze betrokken Ministers is vereist. In dit laatste geval beslissen dezen omtrent de goedkeuring niet dan na de Sociaal-Economische Raad te hebben gehoord.
a. de berekening van de aanbodprijs in verband met de kosten van de onderneming;
b. het aanbieden of verstrekken van geschenken, in de vorm van goederen of diensten;
c. het geven van kortingen, welke niet uitsluitend verband houden met de jegens de afnemers verschuldigde prestatie;
d. de aanduiding van ten verkoop aangeboden vlees en vleeswaren;
e. de administratie van ondernemingen, waarvoor het bedrijfschap is ingesteld;
f. de lonen en de andere arbeidsvoorwaarden;
g. de vakopleiding;
h. de registratie van de ondernemingen, waarvoor het bedrijfschap is ingesteld en van de in die ondernemingen werkzame personen;
i. het verstrekken van de voor de vervulling van de taak van het bedrijfschap nodige gegevens;
j. de inzage van boeken en bescheiden en de bezichtiging en opneming van bedrijfsmiddelen en voorraden van ondernemingen, voor zover nodig in verband met het toezicht op de naleving van de verordeningen van het bedrijfschap.
2. Verordeningen betreffende de in het eerste lid, onder h, ien j, genoemde onderwerpen behoeven, instede van de in artikel 94 der wet voorziene goedkeuring, die van de Sociaal-Economische Raad, tenzij reeds op grond van enige andere bepaling der wet de goedkeuring van Onze betrokken Ministers is vereist. In dit laatste geval beslissen dezen omtrent de goedkeuring niet dan na de Sociaal-Economische Raad te hebben gehoord.