BWBR0002093
Geldig vanaf 2014-10-01
Artikel 46
Advocatenwet
De advocaten zijn aan tuchtrechtspraak onderworpen ter zake van enig handelen of nalaten in strijd met de zorg die zij als advocaat behoren te betrachten ten opzichte van degenen wier belangen zij als zodanig behartigen of behoren te behartigen, ter zake van inbreuken op het bepaalde bij of krachtens deze wet, de <a href="/wet/BWBR0024282" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme</a>en de <a href="/wet/BWBR0046685" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Wet kwaliteit incassodienstverlening</a>, de verordeningen van de Nederlandse orde en ter zake van enig handelen of nalaten dat een behoorlijk advocaat niet betaamt. Deze tuchtrechtspraak wordt uitgeoefend in eerste aanleg door de raden van discipline en in hoger beroep, tevens in hoogste ressort, door het hof van discipline.