BWBR0002071
Geldig vanaf 1951-04-12
Artikel 3
Besluit tot uitvoering van het vijfde hoofdstuk der Wet buitengewoon pensioen 1940-1945
Bij een aanvrage om in het genot te worden gesteld van pensioen als bedoeld in artikel 4 der wet (deelnemer) worden bovendien overgelegd:
1. een verklaring van de deelnemer, houdende mededelingen omtrent het ontstaan dan wel de verergering van de verwonding, verminking, ziekten of gebreken, op grond waarvan hij aan de wet recht op pensioen meent te kunnen ontlenen;
2. een opgave van de inkomsten uit arbeid of bedrijf en/of uit vermogen van hem, die aanspraak op toekenning van pensioen meent te kunnen doen gelden, geschat per jaar naar de toestand op het tijdstip van indiening van de aanvrage.
1. een verklaring van de deelnemer, houdende mededelingen omtrent het ontstaan dan wel de verergering van de verwonding, verminking, ziekten of gebreken, op grond waarvan hij aan de wet recht op pensioen meent te kunnen ontlenen;
2. een opgave van de inkomsten uit arbeid of bedrijf en/of uit vermogen van hem, die aanspraak op toekenning van pensioen meent te kunnen doen gelden, geschat per jaar naar de toestand op het tijdstip van indiening van de aanvrage.