1. Zij, die zich wensen te onderwerpen aan een der examens ter verkrijging van een getuigschrift van tolk-vertaler en in het bezit zijn van het getuigschrift wegens met gunstig gevolg afgelegd candidaatsexamen aan een universiteit in de taal, waarvoor zij het getuigschrift van tolk-vertaler verlangen, dan wel van de akte van bekwaamheid tot het geven van middelbaar onderwijs in de taal, waarvoor zij het getuigschrift van tolk-vertaler verlangen, worden bij het examen vrijgesteld van een onderzoek in de onderdelen, vermeld in artikel 3 onder a en f.
2. De examencommissie kan op schriftelijk verzoek vrijstelling verlenen van een of meer onderdelen van het examen op grond van het bezit van een ander diploma of getuigschrift of een andere akte dan bedoeld in het eerste lid, dan wel op grond van het bezit van een verklaring als bedoeld in
artikel 31 van de Wet op het voortgezet onderwijs(
Stb.1986, 552) of in artikel 35 van de Wet op het hoger beroepsonderwijs (
Stb.1986, 289).
3. De geldigheidsduur van een vrijstelling als bedoeld in het tweede lid wordt door de examencommissie vastgesteld en kan door haar worden verlengd.
4. Indien de examencommissie de gevraagde vrijstelling, bedoeld in het tweede lid, verleent, zendt zij de verzoeker een bewijs van vrijstelling. Dit bewijs vermeldt de datum waarop de vrijstelling is verleend, het examenonderdeel of de examenonderdelen waarop de vrijstelling betrekking heeft, en tevens de geldigheidsduur.