BWBR0002042
Geldig vanaf 1948-09-30
Artikel 4
Besluit tot uitvoering van artikel 12 der Wet buitengewoon pensioen 1940-1945
1. Indien verrekenbare inkomsten, bedoeld in artikel 2, worden genoten krachtens erfrecht, dan wel uit door erfrecht verworven bezit, voorzover deze eerst na het tijdstip, hetwelk gediend heeft voor de vaststelling van de pensioensgrondslag, van bloed- en aanverwanten in de rechte lijn en in de tweede graad der zijdlinie zijn verworven, wordt wegens deze inkomsten van het buitengewoon pensioen niet meer in mindering gebracht dan zou zijn geschied, indien dit pensioen was berekend naar een grondslag, waarin deze inkomsten zijn begrepen.
2. Het in artikel 8, zevende lid, der wetvastgestelde maximum geldt mede voor de pensioengrondslag, bedoeld in het slot van het voorgaande lid.
3. De inkomsten, welke volgens het eerste lid in de pensioensgrondslag zijn begrepen, worden geacht vier procent te bedragen van de waarde, die het in dat lid bedoelde bezit ten tijde van het verwerven had.
2. Het in artikel 8, zevende lid, der wetvastgestelde maximum geldt mede voor de pensioengrondslag, bedoeld in het slot van het voorgaande lid.
3. De inkomsten, welke volgens het eerste lid in de pensioensgrondslag zijn begrepen, worden geacht vier procent te bedragen van de waarde, die het in dat lid bedoelde bezit ten tijde van het verwerven had.