Artikel 1
In dit besluit wordt verstaan onder:
"de wet": de Wet buitengewoon pensioen 1940-1945;
«de Sociale verzekeringsbank»: de Sociale verzekeringsbank, genoemd in hoofdstuk 6 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
"gepensioneerde": degene, aan wie een buitengewoon pensioen is toegekend;
«kortingsinkomen»: het totaal van het inkomen uit werk en woning, bedoeld in artikel 3.1, tweede lid, onderdelen a tot en met e, van de Wet IB 2001, en de feitelijke inkomsten uit sparen en beleggen, verminderd met:
a. indien loon wordt genoten het hoogste van de uit de toepassing van de volgende onderdelen voortvloeiende bedragen: 1°. bij loon uit tegenwoordige dienstbetrekking: 12% van dat loon, maar niet minder dan € 119 per jaar en niet meer dan € 1605 per jaar;
2°. bij loon uit vroegere dienstbetrekking: € 487 per jaar, en
1°. bij loon uit tegenwoordige dienstbetrekking: 12% van dat loon, maar niet minder dan € 119 per jaar en niet meer dan € 1605 per jaar;
2°. bij loon uit vroegere dienstbetrekking: € 487 per jaar, en
b. het bedrag van het over het jaar 2000 toegepaste reiskostenforfait tot een maximum van € 939 per jaar,
met dien verstande evenwel, dat, in afwijking van artikel 2.17 van de Wet IB 2001,
alle bestanddelen van het inkomen van een gehuwde, niet duurzaam gescheiden van haar man levende vrouw worden aangemerkt als bestanddelen van het inkomen van haar man;
"kinderbijslag": kinderbijslag ingevolge de Algemene Kinderbijslagwetof enige andere daarmede gelijk te stellen wettelijke regeling buiten het Rijk in Europa.
"de wet": de Wet buitengewoon pensioen 1940-1945;
«de Sociale verzekeringsbank»: de Sociale verzekeringsbank, genoemd in hoofdstuk 6 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
"gepensioneerde": degene, aan wie een buitengewoon pensioen is toegekend;
«kortingsinkomen»: het totaal van het inkomen uit werk en woning, bedoeld in artikel 3.1, tweede lid, onderdelen a tot en met e, van de Wet IB 2001, en de feitelijke inkomsten uit sparen en beleggen, verminderd met:
a. indien loon wordt genoten het hoogste van de uit de toepassing van de volgende onderdelen voortvloeiende bedragen: 1°. bij loon uit tegenwoordige dienstbetrekking: 12% van dat loon, maar niet minder dan € 119 per jaar en niet meer dan € 1605 per jaar;
2°. bij loon uit vroegere dienstbetrekking: € 487 per jaar, en
1°. bij loon uit tegenwoordige dienstbetrekking: 12% van dat loon, maar niet minder dan € 119 per jaar en niet meer dan € 1605 per jaar;
2°. bij loon uit vroegere dienstbetrekking: € 487 per jaar, en
b. het bedrag van het over het jaar 2000 toegepaste reiskostenforfait tot een maximum van € 939 per jaar,
met dien verstande evenwel, dat, in afwijking van artikel 2.17 van de Wet IB 2001,
alle bestanddelen van het inkomen van een gehuwde, niet duurzaam gescheiden van haar man levende vrouw worden aangemerkt als bestanddelen van het inkomen van haar man;
"kinderbijslag": kinderbijslag ingevolge de Algemene Kinderbijslagwetof enige andere daarmede gelijk te stellen wettelijke regeling buiten het Rijk in Europa.