BWBR0002039
Geldig vanaf 1948-05-15
Artikel 5
Wet nopens de naasting der aandelen in De Nederlandsche Bank N.V.
1. De boeking van een inschrijving in het Grootboek der 2½-procents Nationale Schuld krachtens artikel 3geschiedt door de directeur van de Grootboeken der Nationale Schuld tegen overlegging van een door de directie van De Nederlandsche Bank N.V. aan de rechthebbende op zijn verzoek af te geven schriftelijke verklaring nopens het recht van degene te wiens behoeve de inschrijving dient plaats te vinden.
2. Het stellen van een aantekening krachtens artikel 4geschiedt door de directeur van de Grootboeken der Nationale Schuld, gelijktijdig met de boeking van de inschrijving waarop de aantekening betrekking heeft, tegen overlegging van de schriftelijke verklaring bedoeld in het vorige lid, welke alsdan mede betrekking heeft op het recht van de derde. De schriftelijke verklaring wordt mede afgegeven op verzoek van die derde.
3. De directie van De Nederlandsche Bank N.V. geeft de in het eerste en tweede lid bedoelde verklaring niet af dan tegen inlevering van het aandeelbewijs met bijbehorende talon en dividendbewijzen, welke niet betaalbaar zijn gesteld, of van andere door de directie nodig geachte bescheiden.
4. Het verzoek van rechthebbenden tot afgifte van de in dit artikel bedoelde verklaring dient te zijn geschied binnen tien jaren na het tijdstip waarop dit artikel in werking treedt, op straffe van verlies van hun recht, behoudens bijzondere beschikking van Onze Minister van Financiën.
2. Het stellen van een aantekening krachtens artikel 4geschiedt door de directeur van de Grootboeken der Nationale Schuld, gelijktijdig met de boeking van de inschrijving waarop de aantekening betrekking heeft, tegen overlegging van de schriftelijke verklaring bedoeld in het vorige lid, welke alsdan mede betrekking heeft op het recht van de derde. De schriftelijke verklaring wordt mede afgegeven op verzoek van die derde.
3. De directie van De Nederlandsche Bank N.V. geeft de in het eerste en tweede lid bedoelde verklaring niet af dan tegen inlevering van het aandeelbewijs met bijbehorende talon en dividendbewijzen, welke niet betaalbaar zijn gesteld, of van andere door de directie nodig geachte bescheiden.
4. Het verzoek van rechthebbenden tot afgifte van de in dit artikel bedoelde verklaring dient te zijn geschied binnen tien jaren na het tijdstip waarop dit artikel in werking treedt, op straffe van verlies van hun recht, behoudens bijzondere beschikking van Onze Minister van Financiën.