BWBR0001875
Geldig vanaf 1909-07-14
Artikel 29
Uitvoeringswet Rechtsvorderingsverdrag 1905
1. Hooger beroep van de afwijzende beschikking der rechtbank, en beroep in cassatie van zoodanige beschikking van het gerechtshof kunnen worden ingesteld door de verzoekende partij binnen ééne maand na den dag waarop de expeditie dier beschikking aan Onzen Minister van Justitie is toegezonden.
2. De instelling van hooger beroep of beroep in cassatie geschiedt door eene daartoe strekkende schriftelijke mededeeling aan Onzen voornoemden Minister. Deze mededeeling bevat de gronden of middelen, waarop het beroep steunt.
3. Onze voornoemde Minister stelt den griffier van het college, dat de beschikking heeft gegeven, in kennis met het ingesteld hooger beroep of beroep in cassatie. Tevens doet hij daarvan mededeeling aan het betrokken gerechtshof of aan den Hoogen Raad.
4. De griffier van het college, dat de aangevallen beschikking heeft gegeven, doet aan het betrokken gerechtshof in geval van hooger beroep, en aan den Hoogen Raad in geval van cassatie, de overgelegde stukken met een afschrift der afwijzende beschikking toekomen.
2. De instelling van hooger beroep of beroep in cassatie geschiedt door eene daartoe strekkende schriftelijke mededeeling aan Onzen voornoemden Minister. Deze mededeeling bevat de gronden of middelen, waarop het beroep steunt.
3. Onze voornoemde Minister stelt den griffier van het college, dat de beschikking heeft gegeven, in kennis met het ingesteld hooger beroep of beroep in cassatie. Tevens doet hij daarvan mededeeling aan het betrokken gerechtshof of aan den Hoogen Raad.
4. De griffier van het college, dat de aangevallen beschikking heeft gegeven, doet aan het betrokken gerechtshof in geval van hooger beroep, en aan den Hoogen Raad in geval van cassatie, de overgelegde stukken met een afschrift der afwijzende beschikking toekomen.