BWBR0001848
Geldig vanaf 1999-12-24
Artikel 40
Spoorwegwet 1875
1. De afstand, in de artikelen 36, eerste lid, 37en 38bedoeld, wordt gemeten uit den teen der glooiing van den spoorweg, waar deze in ophooging, uit de bovenlijn der glooiing, waar de spoorweg in ingraving, en uit een lijn, gelegen op een afstand van drie meter uit de as van het naastbijgelegen spoor, waar de spoorweg noch in ophooging noch in ingraving ligt.
2. Op stations en halten wordt de bedoelde afstand gemeten uit de afsluiting van den spoorweg of, waar deze door een sloot wordt gevormd, uit de bovenlijn van den buitensten boord.
3. De afstand van twintig meter, bedoeld in artikel 36, tweede lid, wordt gemeten in de as van den openbaren weg uit de as van het naastbijgelegen spoor, de afstand van vijfhonderd meter in de as van den spoorweg uit de as van den overweg.
2. Op stations en halten wordt de bedoelde afstand gemeten uit de afsluiting van den spoorweg of, waar deze door een sloot wordt gevormd, uit de bovenlijn van den buitensten boord.
3. De afstand van twintig meter, bedoeld in artikel 36, tweede lid, wordt gemeten in de as van den openbaren weg uit de as van het naastbijgelegen spoor, de afstand van vijfhonderd meter in de as van den spoorweg uit de as van den overweg.