Rechtspraak
Raad van State
2026-04-23
ECLI:NL:RVS:2026:2231
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Hoger beroep
2,654 tokens
Volledig
ECLI:NL:RVS:2026:2231 text/xml public 2026-04-29T10:31:48 2026-04-21 Raad voor de Rechtspraak nl Raad van State 2026-04-23 BRS.26.001586 Uitspraak Hoger beroep NL Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:2231 text/html public 2026-04-21T15:33:48 2026-04-29 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RVS:2026:2231 Raad van State , 23-04-2026 / BRS.26.001586 Bij besluit van 25 februari 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd. BRS.26.001586 ECLI:NL:RVS:2026:2231 Datum uitspraak: 23 april 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [appellant], appellant, tegen de mondelinge uitspraak van de rechtbank Den Haag van 19 maart 2026 in zaak nr. NL26.13116 in het geding tussen: appellant en de minister van Asiel en Migratie. Procesverloop Bij besluit van 25 februari 2026 heeft de minister appellant een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd. Bij mondelinge uitspraak van 19 maart 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. J.E. Groenenberg, advocaat in Nieuw-Vennep, hoger beroep ingesteld. Overwegingen 1. Appellant heeft op 25 februari 2026 aan de grens asiel aangevraagd en de minister heeft hem op die dag in grensdetentie geplaatst op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw 2000. Bij besluit van 14 maart 2026 heeft de minister de asielaanvraag niet-ontvankelijk verklaard. In de rechtsmiddelenclausule van dat besluit staat dat appellant daartegen beroep kan instellen en dat hij de uitspraak op dat beroep niet in Nederland mag afwachten, maar een verzoek om voorlopige voorziening hangende dat beroep wel. Appellant heeft zo’n verzoek gedaan. 2. Appellant komt in grief 1 tevergeefs op tegen het oordeel van de rechtbank dat de passage in het asielbesluit dat hij het verzoek om voorlopige voorziening in Nederland mag afwachten, niet betekent dat hem de toegang tot Nederland is verschaft, maar alleen dat hij niet mag worden uitgezet voordat voorzieningenrechter van de rechtbank op dat verzoek heeft beslist. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de grensdetentie mag voortduren tot de voorzieningenrechter die beslissing neemt. 2.1. Het gegeven dat appellant een verzoek om voorlopige voorziening heeft ingediend in de asielzaak, betekent niet dat hij voldoet aan de voorwaarden voor toegang tot het Schengengebied (artikel 6 van de Schengengrenscode). De Afdeling verwijst daarnaast naar haar uitspraak van 1 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2925, waarin zij onder 3.2 en 3.2.1 aan de hand van Unierecht heeft uitgelegd onder welke omstandigheden grensdetentie op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw 2000 kan voortduren. Daaronder valt de periode waarin appellant in afwachting is van de beslissing op zijn verzoek om voorlopige voorziening hangende zijn beroep in de asielzaak. 2.2. Appellant doet verder een beroep op het vertrouwensbeginsel, maar dit slaagt niet. Gelet op wat de Afdeling onder 2.1 heeft overwogen, kan de mededeling dat hij de behandeling van een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening in Nederland mag afwachten in het besluit waarbij zijn asielaanvraag niet-ontvankelijk is verklaard, een terugkeerbesluit is genomen en een inreisverbod is uitgevaardigd, redelijkerwijs niet de indruk wekken dat hem de toegang tot het Schengengebied zou worden verleend. Daarbij is tevens van belang dat in het besluit ook is vermeld dat de grensdetentie wordt voortgezet. 2.3. Uit het voorgaande volgt dat redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan over het antwoord op de opgeworpen vraag. Gelet op de arresten van het Hof van Justitie van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punt 16, 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punten 39 en 40, en 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 37, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen. 2.4. De grief faalt. 3. Wat appellant in de grieven 2 en 3 aanvoert, leidt ook niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat die grieven geen vragen bevatten die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000). Ook zijn in deze zaak verder geen vragen aan de orde over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punten 24 en 31). 4. De Afdeling ziet ook ambtshalve geen reden om de grensdetentie onrechtmatig te achten. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. M. Soffers, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.R. Kraak, griffier. w.g. Soffers lid van de enkelvoudige kamer w.g. Kraak griffier Uitgesproken in het openbaar op 23 april 2026 1020
Volledig
ECLI:NL:RVS:2026:2231 text/xml public 2026-04-29T10:31:48 2026-04-21 Raad voor de Rechtspraak nl Raad van State 2026-04-23 BRS.26.001586 Uitspraak Hoger beroep NL Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:2231 text/html public 2026-04-21T15:33:48 2026-04-29 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RVS:2026:2231 Raad van State , 23-04-2026 / BRS.26.001586 Bij besluit van 25 februari 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd. BRS.26.001586 ECLI:NL:RVS:2026:2231 Datum uitspraak: 23 april 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [appellant], appellant, tegen de mondelinge uitspraak van de rechtbank Den Haag van 19 maart 2026 in zaak nr. NL26.13116 in het geding tussen: appellant en de minister van Asiel en Migratie. Procesverloop Bij besluit van 25 februari 2026 heeft de minister appellant een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd. Bij mondelinge uitspraak van 19 maart 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. J.E. Groenenberg, advocaat in Nieuw-Vennep, hoger beroep ingesteld. Overwegingen 1. Appellant heeft op 25 februari 2026 aan de grens asiel aangevraagd en de minister heeft hem op die dag in grensdetentie geplaatst op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw 2000. Bij besluit van 14 maart 2026 heeft de minister de asielaanvraag niet-ontvankelijk verklaard. In de rechtsmiddelenclausule van dat besluit staat dat appellant daartegen beroep kan instellen en dat hij de uitspraak op dat beroep niet in Nederland mag afwachten, maar een verzoek om voorlopige voorziening hangende dat beroep wel. Appellant heeft zo’n verzoek gedaan. 2. Appellant komt in grief 1 tevergeefs op tegen het oordeel van de rechtbank dat de passage in het asielbesluit dat hij het verzoek om voorlopige voorziening in Nederland mag afwachten, niet betekent dat hem de toegang tot Nederland is verschaft, maar alleen dat hij niet mag worden uitgezet voordat voorzieningenrechter van de rechtbank op dat verzoek heeft beslist. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de grensdetentie mag voortduren tot de voorzieningenrechter die beslissing neemt. 2.1. Het gegeven dat appellant een verzoek om voorlopige voorziening heeft ingediend in de asielzaak, betekent niet dat hij voldoet aan de voorwaarden voor toegang tot het Schengengebied (artikel 6 van de Schengengrenscode). De Afdeling verwijst daarnaast naar haar uitspraak van 1 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2925, waarin zij onder 3.2 en 3.2.1 aan de hand van Unierecht heeft uitgelegd onder welke omstandigheden grensdetentie op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw 2000 kan voortduren. Daaronder valt de periode waarin appellant in afwachting is van de beslissing op zijn verzoek om voorlopige voorziening hangende zijn beroep in de asielzaak. 2.2. Appellant doet verder een beroep op het vertrouwensbeginsel, maar dit slaagt niet. Gelet op wat de Afdeling onder 2.1 heeft overwogen, kan de mededeling dat hij de behandeling van een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening in Nederland mag afwachten in het besluit waarbij zijn asielaanvraag niet-ontvankelijk is verklaard, een terugkeerbesluit is genomen en een inreisverbod is uitgevaardigd, redelijkerwijs niet de indruk wekken dat hem de toegang tot het Schengengebied zou worden verleend. Daarbij is tevens van belang dat in het besluit ook is vermeld dat de grensdetentie wordt voortgezet. 2.3. Uit het voorgaande volgt dat redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan over het antwoord op de opgeworpen vraag. Gelet op de arresten van het Hof van Justitie van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punt 16, 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punten 39 en 40, en 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 37, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen. 2.4. De grief faalt. 3. Wat appellant in de grieven 2 en 3 aanvoert, leidt ook niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat die grieven geen vragen bevatten die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000). Ook zijn in deze zaak verder geen vragen aan de orde over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punten 24 en 31). 4. De Afdeling ziet ook ambtshalve geen reden om de grensdetentie onrechtmatig te achten. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. M. Soffers, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.R. Kraak, griffier. w.g. Soffers lid van de enkelvoudige kamer w.g. Kraak griffier Uitgesproken in het openbaar op 23 april 2026 1020