Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-03-20
ECLI:NL:RBDHA:2026:9216
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,058 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:9216 text/xml public 2026-04-17T08:43:59 2026-04-16 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-03-20 NL26.11203 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Utrecht Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:9216 text/html public 2026-04-17T08:43:26 2026-04-17 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:9216 Rechtbank Den Haag , 20-03-2026 / NL26.11203 Bewaring; vervolgberoep; zitting; ongegrond; Bengalese; asielaanvraag; artikel 83b van de Vw; wettelijke beslistermijn met drie maanden verlengd op grond van 59b van de Vw; geen sprake van grensdetentie; verzocht om de inhoudelijke behandeling naar voren te halen; de rechtbank heeft geen aanleiding gezien om de behandeling naar voren te halen; geen grond voor het oordeel dat thans al afdoende duidelijk is dat de asielzaak niet zal worden afgedaan binnen de maximale duur van de maatregel van bewaring; belangenafweging gelet op de duur niet in het voordeel van eiser uitspraak RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL26.11203 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. F.W. Verbaas), en de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. M.K. Ruijzendaal). Procesverloop De minister heeft op 19 januari 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b en c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort. Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding. De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd. Vervolgens heeft de minister een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft het beroep op 16 maart 2026 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C. Chen, als waarnemer voor zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen 1. Eiser stelt van Bengalese nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 2003. 2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan. 3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 2 februari 2026 (in de zaak NL26.3176) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek. 4. Eiser voert - kort samengevat - het volgende aan. Eiser heeft beroep ingesteld tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag en hij heeft tevens een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. De inhoudelijke behandeling van eisers asielprocedure zal op 12 mei 2026 plaatsvinden. Eiser stelt zich op grond van artikel 83b van de Vw op het standpunt dat de wettelijke termijn voor de behandeling van de beroepsprocedure vier weken is en dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) een termijn van dertien weken hanteert1. Eiser stelt dat beide termijnen eindigen voordat het 12 mei 2026 is. Dit betekent volgens eiser dat de bewaring thans in strijd is met artikel 9, eerste lid, van de Opvangrichtlijn, en het doel, de aard en de strekking van de Opvangrichtlijn, alsmede het evenredigheidsbeginsel en de proportionaliteit. Vertraging in de rechterlijke afhandeling van eisers beroep die niet aan eiser kan worden toegeschreven, is geen reden om de bewaring te laten voortduren. Daarbij merkt eiser op dat op het moment dat duidelijk was dat de beroepstermijn asiel werd overschreden (dat was volgens eiser op 19 februari 2026), er geen belangenafweging heeft plaatsgevonden. Gelet op het vorenstaande dient een belangenafweging in zijn voordeel uit te vallen, aldus eiser. 5. De rechtbank overweegt als volgt. 6. In de beschikking van 14 februari 2026 op eisers asielaanvraag is opgenomen dat de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b van de Vw met ten hoogste drie maanden wordt verlengd. Artikel 59b, derde lid, van de Vw biedt hiervoor een wettelijke grondslag. Zoals de minister heeft bevestigd betekent dit dat de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b van de Vw kan voortduren tot uiterlijk 14 mei 2026. Eisers verwijzing naar artikel 83b van de Vw slaagt niet, nu de verlenging van de bewaringsmaatregel op grond van artikel 59b van de Vw wettelijk mogelijk wordt gemaakt door artikel 59b, derde lid, van de Vw. Eisers verwijzing naar de hiervoor genoemde uitspraak van de Afdeling slaagt evenmin, nu die uitspraak – en overigens ook de door eiser bijgevoegde bijlage van de [universiteit] van [plaats] , Expert Opinion: Conditions and Duration of Detention of Asylum Applicants and Irregular Migrants at External Borders van 16 juli 2025 – ziet op grensdetentie en daar in deze zaak geen sprake van is. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat de door eiser genoemde dertien weken in grensdetentie-zaken mutatis mutandis ook van toepassing zijn bij een bewaring op grond van artikel 59b van de Vw. Zoals hiervoor reeds is genoemd biedt artikel 59b, derde lid, van de Vw immers de mogelijkheid om de bewaring op grond van artikel 59b van de Vw te verlengen met ten hoogste drie maanden. Uit het dossier volgt verder dat de zitting betreffende eisers beroep tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag en zijn ter zake ingediende verzoek om voorlopige voorziening is gepland op 12 mei 2026 bij de rechtbank Den Haag. De minister heeft op 2 maart 2026 bij de rechtbank Den Haag verzocht om de behandeling van het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening naar voren te halen en gewezen op de maximale bewaringsduur op grond van artikel 59b van de Vw. De rechtbank Den Haag heeft de 1. ECLI:NL:RVS:2025:2925. minister vervolgens op 9 maart 2026 bericht dat de rechtbank geen aanleiding ziet om het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening eerder op zitting te plannen en dat de zaken dus op 12 mei 2026 op zitting behandeld worden. De rechtbank Den Haag heeft daarbij vermeld dat zij ernaar streeft zo snel mogelijk na de behandeling op zitting uitspraak te doen. Op 9 maart 2026 heeft de minister de rechtbank Den Haag wederom verzocht om het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening met voorrang op zitting te behandelen en wederom gewezen op de maximale bewaringsduur op grond van artikel 59b van de Vw. Bij deze stand van zaken ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat thans al afdoende duidelijk is dat de asielzaak niet zal worden afgedaan binnen de maximale duur van de maatregel van bewaring. De rechtbank Den Haag heeft de minister immers bericht dat zij ernaar streeft zo snel mogelijk na de behandeling op zitting uitspraak te doen. Naar het oordeel van de rechtbank is er thans dus nog een mogelijk scenario dat de rechtbank Den Haag vóór de maximale duur van de maatregel van bewaring uitspraak doet in de asielzaak van eiser. Ook hetgeen eiser verder heeft aangevoerd leidt mede gelet op de duur van de maatregel van bewaring niet tot het oordeel dat de bewaring op grond van een belangenafweging dient te worden opgeheven. De beroepsgronden slagen niet. Ambtshalve toetsing 7. De rechtbank moet ook ambtshalve toetsen of de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was. Op grond van de stukken is de rechtbank van oordeel dat dit niet het geval is. Conclusie 8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. 9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:9216 text/xml public 2026-04-17T08:43:59 2026-04-16 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-03-20 NL26.11203 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Utrecht Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:9216 text/html public 2026-04-17T08:43:26 2026-04-17 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:9216 Rechtbank Den Haag , 20-03-2026 / NL26.11203 Bewaring; vervolgberoep; zitting; ongegrond; Bengalese; asielaanvraag; artikel 83b van de Vw; wettelijke beslistermijn met drie maanden verlengd op grond van 59b van de Vw; geen sprake van grensdetentie; verzocht om de inhoudelijke behandeling naar voren te halen; de rechtbank heeft geen aanleiding gezien om de behandeling naar voren te halen; geen grond voor het oordeel dat thans al afdoende duidelijk is dat de asielzaak niet zal worden afgedaan binnen de maximale duur van de maatregel van bewaring; belangenafweging gelet op de duur niet in het voordeel van eiser uitspraak RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL26.11203 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. F.W. Verbaas), en de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. M.K. Ruijzendaal). Procesverloop De minister heeft op 19 januari 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b en c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort. Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding. De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd. Vervolgens heeft de minister een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft het beroep op 16 maart 2026 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C. Chen, als waarnemer voor zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen 1. Eiser stelt van Bengalese nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 2003. 2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan. 3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 2 februari 2026 (in de zaak NL26.3176) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek. 4. Eiser voert - kort samengevat - het volgende aan. Eiser heeft beroep ingesteld tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag en hij heeft tevens een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. De inhoudelijke behandeling van eisers asielprocedure zal op 12 mei 2026 plaatsvinden. Eiser stelt zich op grond van artikel 83b van de Vw op het standpunt dat de wettelijke termijn voor de behandeling van de beroepsprocedure vier weken is en dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) een termijn van dertien weken hanteert1. Eiser stelt dat beide termijnen eindigen voordat het 12 mei 2026 is. Dit betekent volgens eiser dat de bewaring thans in strijd is met artikel 9, eerste lid, van de Opvangrichtlijn, en het doel, de aard en de strekking van de Opvangrichtlijn, alsmede het evenredigheidsbeginsel en de proportionaliteit. Vertraging in de rechterlijke afhandeling van eisers beroep die niet aan eiser kan worden toegeschreven, is geen reden om de bewaring te laten voortduren. Daarbij merkt eiser op dat op het moment dat duidelijk was dat de beroepstermijn asiel werd overschreden (dat was volgens eiser op 19 februari 2026), er geen belangenafweging heeft plaatsgevonden. Gelet op het vorenstaande dient een belangenafweging in zijn voordeel uit te vallen, aldus eiser. 5. De rechtbank overweegt als volgt. 6. In de beschikking van 14 februari 2026 op eisers asielaanvraag is opgenomen dat de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b van de Vw met ten hoogste drie maanden wordt verlengd. Artikel 59b, derde lid, van de Vw biedt hiervoor een wettelijke grondslag. Zoals de minister heeft bevestigd betekent dit dat de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b van de Vw kan voortduren tot uiterlijk 14 mei 2026. Eisers verwijzing naar artikel 83b van de Vw slaagt niet, nu de verlenging van de bewaringsmaatregel op grond van artikel 59b van de Vw wettelijk mogelijk wordt gemaakt door artikel 59b, derde lid, van de Vw. Eisers verwijzing naar de hiervoor genoemde uitspraak van de Afdeling slaagt evenmin, nu die uitspraak – en overigens ook de door eiser bijgevoegde bijlage van de [universiteit] van [plaats] , Expert Opinion: Conditions and Duration of Detention of Asylum Applicants and Irregular Migrants at External Borders van 16 juli 2025 – ziet op grensdetentie en daar in deze zaak geen sprake van is. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat de door eiser genoemde dertien weken in grensdetentie-zaken mutatis mutandis ook van toepassing zijn bij een bewaring op grond van artikel 59b van de Vw. Zoals hiervoor reeds is genoemd biedt artikel 59b, derde lid, van de Vw immers de mogelijkheid om de bewaring op grond van artikel 59b van de Vw te verlengen met ten hoogste drie maanden. Uit het dossier volgt verder dat de zitting betreffende eisers beroep tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag en zijn ter zake ingediende verzoek om voorlopige voorziening is gepland op 12 mei 2026 bij de rechtbank Den Haag. De minister heeft op 2 maart 2026 bij de rechtbank Den Haag verzocht om de behandeling van het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening naar voren te halen en gewezen op de maximale bewaringsduur op grond van artikel 59b van de Vw. De rechtbank Den Haag heeft de 1. ECLI:NL:RVS:2025:2925. minister vervolgens op 9 maart 2026 bericht dat de rechtbank geen aanleiding ziet om het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening eerder op zitting te plannen en dat de zaken dus op 12 mei 2026 op zitting behandeld worden. De rechtbank Den Haag heeft daarbij vermeld dat zij ernaar streeft zo snel mogelijk na de behandeling op zitting uitspraak te doen. Op 9 maart 2026 heeft de minister de rechtbank Den Haag wederom verzocht om het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening met voorrang op zitting te behandelen en wederom gewezen op de maximale bewaringsduur op grond van artikel 59b van de Vw. Bij deze stand van zaken ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat thans al afdoende duidelijk is dat de asielzaak niet zal worden afgedaan binnen de maximale duur van de maatregel van bewaring. De rechtbank Den Haag heeft de minister immers bericht dat zij ernaar streeft zo snel mogelijk na de behandeling op zitting uitspraak te doen. Naar het oordeel van de rechtbank is er thans dus nog een mogelijk scenario dat de rechtbank Den Haag vóór de maximale duur van de maatregel van bewaring uitspraak doet in de asielzaak van eiser. Ook hetgeen eiser verder heeft aangevoerd leidt mede gelet op de duur van de maatregel van bewaring niet tot het oordeel dat de bewaring op grond van een belangenafweging dient te worden opgeheven. De beroepsgronden slagen niet. Ambtshalve toetsing 7. De rechtbank moet ook ambtshalve toetsen of de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was. Op grond van de stukken is de rechtbank van oordeel dat dit niet het geval is. Conclusie 8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. 9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.