Rechtspraak
Raad van State
2019-06-17
ECLI:NL:RVS:2019:1925
Bestuursrecht
Wraking
692 tokens
Dictum
de Partij Voor Alle Zaken (hierna: de PVAZ), gevestigd te Harderwijk,
verzoekster,
om wraking (artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht; hierna: de Awb).
Procesverloop
Bij elektronisch verzonden bericht, bij de Raad van State ingekomen op 17 juni 2019, heeft de PVAZ, vertegenwoordigd door [gemachtigde], verzocht om wraking van de Raad van State, onder vermelding van zaak nr. 201904021/1. Met de behandeling van die zaak zijn de staatsraden mr. J.E.M. Polak, mr. N. Verheij en mr. J.Th. Drop als leden van de meervoudige kamer belast.
Overwegingen
1. Artikel 8:15 van de Awb luidt:
"Op verzoek van een partij kan elk van de rechters die een zaak behandelen, worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden."
2. Artikel 3, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wrakingsregeling bestuursrechterlijke colleges 2013 luidt:
"De wrakingskamer kan zonder daartoe een zitting te houden beslissen een verzoek om wraking niet in behandeling te nemen indien het verzoek betrekking heeft op het college als zodanig."
3. Het verzoek om wraking is zowel uitdrukkelijk als naar zijn strekking gericht tegen alle leden van de Raad van State en daarmee tegen de Afdeling bestuursrechtspraak als zodanig. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 12 juni 2012, ECLI:NL:RVS:2012:1059) is de ratio van artikel 8:15 van de Awb blijkens de wetsgeschiedenis gelegen in het waken tegen inbreuken op de rechterlijke onpartijdigheid en tegen de schijn van rechterlijke partijdigheid. Een wrakingsgrond dient dan ook gelegen te zijn in feiten of omstandigheden die betrekking hebben op de persoon van de staatsraad die de zaak behandelt. Het verzoek kan dan ook niet het rechterlijk college als zodanig betreffen. Nu het verzoek van de PVAZ is gericht tegen de Raad van State als geheel en daarmee tegen de Afdeling als zodanig, wordt het niet aangemerkt als een verzoek om wraking in de zin van de wet en kan het om die reden niet in behandeling worden genomen.
4. De Afdeling is, mede gelet op het hiervoor overwogene, van oordeel dat de PVAZ de bevoegdheid wrakingsverzoeken in te dienen misbruikt. Daarom zal de Afdeling op de voet van artikel 8:18, vierde lid, van de Awb bepalen dat een volgend wrakingsverzoek van de PVAZ in de onderhavige zaak niet in behandeling zal worden genomen
Dictum
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
laat het verzoek buiten behandeling.
Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en mr. D.A.C. Slump en mr. A. Kuijer, leden, in tegenwoordigheid van mr. N.D.T. Pieters, griffier.
w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Pieters
voorzitter griffier
Uitgesproken in het openbaar op 17 juni 2019
473.