Rechtspraak
Raad van State
2022-02-14
ECLI:NL:RVS:2022:467
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Wraking
808 tokens
Dictum
[verzoekers],
verzoekers,
om toepassing van artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb).
Procesverloop
Bij brief van 4 januari 2022 hebben de verzoekers, vertegenwoordigd door mr. N.B. Swart, advocaat te Groningen, verzocht om wraking in de zaak nr. 202102864/1/V1.
Bij brief van 14 februari 2022 hebben de verzoekers desgevraagd een nadere toelichting gegeven en laten weten dat het verzoek om wraking gericht is tegen de gehele Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling).
Overwegingen
1. Op verzoek van een partij kan ingevolge artikel 8:15 van de Awb elk van de rechters die een zaak behandelt, worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
2. Ingevolge artikel 3, derde lid, aanhef en onder d, van de Wrakingsregeling bestuursrechtelijke colleges 2022 kan de wrakingskamer zonder daartoe een zitting te houden, beslissen een verzoek om wraking niet in behandeling te nemen indien het verzoek betrekking heeft op het college als zodanig.
3. Verzoekers hebben aan hun verzoek om wraking ten grondslag gelegd dat de Afdeling hen op 7 juli 2021 heeft gevraagd of zij aanleiding zien om hun hoger beroep in te trekken, naar aanleiding van de melding van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 5 juli 2021, dat een van de verzoekers met onbekende bestemming is vertrokken. Verzoekers hebben bij brief van 20 juli 2021 laten weten dat zij hun hoger beroep niet intrekken. De Afdeling heeft niet laten weten deze brief te hebben ontvangen. De verzoekers vinden dat de Afdeling met deze nalatigheid en met haar algemene handelwijze met betrekking tot het versturen van een intrekkingsverklaring na een melding dat een vreemdeling met onbekende bestemming is vertrokken, de schijn van vooringenomenheid heeft gewekt.
4. Dit verzoek om wraking is zowel uitdrukkelijk als naar zijn strekking gericht tegen de gehele Afdeling. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 12 juni 2021, ECLI:NL:RVS:2012:1059), is de strekking van artikel 8:15 van de Awb gelet op de geschiedenis van de totstandkoming van dat artikel, gelegen in het waken tegen inbreuken op de rechterlijke onpartijdigheid en tegen de schijn van rechterlijke partijdigheid. Een wrakingsgrond moet gelegen zijn in feiten of omstandigheden die betrekking hebben op de persoon van de staatsraad die de zaak behandelt. Een wrakingsverzoek kan niet het rechterlijk college als zodanig betreffen.
5. Het verzoek om wraking is, gelet op wat de verzoekers daaraan ten grondslag hebben gelegd, niet gericht tegen een staatsraad die de zaak behandelt, maar tegen de Afdeling als zodanig. Daarom is het verzoek geen verzoek om wraking in de zin van de wet en kan dit dan ook niet in behandeling worden genomen.
Dictum
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
laat het verzoek buiten behandeling.
Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en mr. J.Th. Drop en mr. P.H.A. Knol, leden, in tegenwoordigheid van mr. N. Tibold, griffier.
w.g. Scholten-Hinloopen
voorzitter
w.g. Tibold
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 14 februari 2022
853