Rechtspraak
Raad van State
2019-05-09
ECLI:NL:RVS:2019:1511
Bestuursrecht
Wraking
707 tokens
Dictum
[verzoeker], wonend te [woonplaats],
om wraking (artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)).
Procesverloop
Bij elektronisch verzonden bericht, bij de Raad van State ingekomen op 8 mei 2019, heeft [verzoeker] een verzoek om wraking van ‘de Nederlandse Staat, incl. alle leden van de Raad van State’ ingediend, onder vermelding van zaak nr. 201903518/1/A2. Met de behandeling van die zaak is staatsraad C.J. Borman belast.
Overwegingen
1. Artikel 8:15 van de Awb luidt: "Op verzoek van een partij kan elk van de rechters die een zaak behandelen, worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
2. Artikel 3, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wrakingsregeling bestuursrechtelijke colleges 2013 luidt: "De wrakingskamer kan zonder daartoe een zitting te houden beslissen een verzoek om wraking niet in behandeling te nemen indien het verzoek betrekking heeft op het college als zodanig."
3. Het verzoek berust - zakelijk weergegeven - op het betoog dat alle leden van de Raad van State veelvuldig de rechtsgang hebben belemmerd door eerdere bezwaren, klachten en verzoeken van [verzoeker] niet te honoreren.
4. Het verzoek om wraking is zowel uitdrukkelijk als naar zijn strekking gericht tegen alle leden van de Raad van State en daarmee de Afdeling bestuursrechtspraak als zodanig. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 12 juni 2012, ECLI:NL:RVS:2012:1059) is de ratio van artikel 8:15 van de Awb blijkens de wetsgeschiedenis gelegen in het waken tegen inbreuken op de rechterlijke onpartijdigheid en tegen de schijn van rechterlijke partijdigheid. Een wrakingsgrond dient dan ook gelegen te zijn in feiten of omstandigheden die betrekking hebben op de persoon van de staatsraad die de zaak behandelt. Het verzoek kan dan ook niet het rechterlijk college als zodanig betreffen. Nu het verzoek van [verzoeker] is gericht tegen de Afdeling als zodanig, wordt het niet aangemerkt als een verzoek om wraking in de zin van de wet en kan het om die reden niet in behandeling worden genomen.
5. De Afdeling is, mede gelet op het hiervoor overwogene, van oordeel dat [verzoeker] de bevoegdheid wrakingsverzoeken in te dienen oneigenlijk gebruikt. Daarom zal de Afdeling op de voet van artikel 8:18, vierde lid, van de Awb bepalen dat een volgend wrakingsverzoek van [verzoeker] in de onderhavige zaak niet in behandeling zal worden genomen.
Dictum
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
laat het verzoek buiten behandeling.
Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, voorzitter, en mr. J.J. van Eck en mr. R. Uylenburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. W.M. Boer, griffier.
w.g. Troostwijk w.g. Boer
voorzitter griffier
Uitgesproken in het openbaar op 9 mei 2019
745.