Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-05-11
ECLI:NL:RBZWB:2026:3989
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,021 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:3989 text/xml public 2026-05-20T11:16:30 2026-05-11 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-05-11 BRE 23/3916 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Breda Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:3989 text/html public 2026-05-20T11:16:11 2026-05-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:3989 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 11-05-2026 / BRE 23/3916 BPM, mandaatverbod, taxatiemethode niet van toepassing RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Belastingrecht zaaknummer: BRE 23/3916 uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 11 mei 2026 in de zaak tussen [belanghebbende] V.O.F., gevestigd te [plaats] , belanghebbende, (gemachtigde: mr. S.M. Bothof), en de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur, en de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid), de Staat. Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 23 juni 2023. 1.1. De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd van € 9.954 aan verschuldigde Bpm. 1.2. De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard. 1.3. De rechtbank heeft het beroep op 18 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens belanghebbende mr. S.M. Bothof, verbonden aan Bothof Services B.V. en namens de inspecteur mr. [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2] . Beoordeling door de rechtbank 2. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur de naheffingsaanslag terecht en niet tot een te hoog bedrag aan belanghebbende heeft opgelegd. De rechtbank doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende. 3. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond moet worden verklaard. De naheffingsaanslag is terecht en niet tot een te hoog bedrag opgelegd. 3.1. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Feiten 4. Belanghebbende heeft op 10 mei 2022 aangifte gedaan ter zake van de inschrijving van een BMW X5 met [VIN-nummer] (de auto), en een bedrag aan Bpm voldaan van € 1.940. 4.1. Belanghebbende heeft in de aangifte een beroep gedaan op de taxatiemethode en een taxatierapport bij de aangifte gevoegd. Het taxatierapport is gedateerd op 10 mei 2022. In het rapport is vermeld dat de auto door de taxateur op 6 mei 2022 is geschouwd. 4.2. De inspecteur heeft het standpunt ingenomen dat de taxatiemethode niet kan worden toegepast, omdat de schouw door de taxateur heeft plaatsgevonden na goedkeuring van de auto door de RDW. De inspecteur heeft de verschuldigde Bpm op basis van de forfaitaire afschrijvingstabel berekend op € 11.894 en de naheffingsaanslag opgelegd. Motivering 5. Voordat de rechtbank toekomt aan behandeling van de inhoudelijke gronden tegen de naheffingsaanslag Bpm, gaat zij allereerst in op de stelling van belanghebbende dat de uitspraak op bezwaar onbevoegd zou zijn genomen. Mandaatverbod 5.1. Belanghebbende stelt dat de uitspraak op bezwaar mogelijk onbevoegd is genomen. Ter onderbouwing voert zij aan dat de kennisgeving en de mededeling naheffingsaanslag zijn ondertekend door drs. [persoon 1] , maar dat mag worden aangenomen dat [persoon 1] , als algemeen directeur van de afdeling Centrale Administratieve Processen, niet zelf betrokken is geweest bij het opstellen van deze stukken. Volgens belanghebbende kan daarom niet worden uitgesloten dat de naheffingsaanslag en de uitspraak op bezwaar door dezelfde persoon zijn opgelegd c.q. gedaan. 5.2. De uitspraak op bezwaar is getekend door [persoon 2] . De inspecteur heeft onweersproken gesteld en met schriftelijke stukken nader onderbouwd dat [persoon 3] de behandelaar van de kennisgeving, de mededeling en de naheffingsaanslag was. De naheffingsaanslag is verzonden door [persoon 4] . Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur hiermee aannemelijk gemaakt dat hij niet in strijd heeft gehandeld met het mandaatverbod bij het doen van uitspraak op bezwaar. 5.3. Dat, zoals belanghebbende stelt, de inspecteur door zijn handelwijze belanghebbende een eerlijk proces heeft onthouden, is ook niet gebleken. De rechtbank wijst deze beroepsgrond van belanghebbende af. De taxatiemethode 5.4. Tussen partijen staat vast dat het moment waarop de auto door de RDW is gekeurd, het afschrijvingsmoment, 5 mei 2022 is, en dat de fysieke opname ten behoeve van het opstellen van het taxatierapport in opdracht van belanghebbende op 6 mei 2022 heeft plaatsgevonden. Hiermee staat vast dat de fysieke schouw van de auto een dag na de keuring bij de RDW heeft plaatsgevonden en dat het taxatierapport ook is opgemaakt na de keuring bij de RDW. 5.5. Belanghebbende stelt dat zij, hoewel de fysieke opname heeft plaatsgevonden na de keuring bij de RDW, toch aangifte mocht doen met gebruikmaking van de taxatiemethode. Volgens haar kan artikel 8, vierde lid, van de Uitvoeringsregeling BPM niet zo worden gelezen dat het niet is toegestaan om een taxatierapport te gebruiken waarin de auto is geschouwd één dag na de keuring bij de RDW. Steun voor die opvatting vindt belanghebbende in overweging 4.6.5 van het arrest van de Hoge Raad van 3 oktober 2025. Volgens haar komt de andersluidende opvatting van de inspecteur in strijd met de doelstelling van de wetgever, en daarmee in strijd met het evenredigheidsbeginsel. 5.6. De rechtbank overweegt als volgt. Per 1 januari 2022 bepaalt artikel 8, vierde lid, onderdeel b, van de Uitvoeringsregeling BPM onder meer dat de fysieke opname heeft plaatsgevonden ten hoogste een maand vóór het afschrijvingsmoment. In de toelichting op die regeling is hierover verder het volgende vermeld: “Artikel 8, vierde lid, UR BPM 1992 wordt aangepast zodat de fysieke opname door de inspecteur moet gebeuren binnen één maand voor het afschrijvingsmoment. Dat betekent automatisch ook dat het taxatierapport moet zijn opgesteld binnen één maand voor het afschrijvingsmoment. Het afschrijvingsmoment bij de inschrijving van een gebruikt motorrijtuig in het kentekenregister is het inschrijvingsonderzoek van de RDW. Tevens moet de staat van het motorrijtuig in het taxatierapport overeenkomen met de staat van het motorrijtuig ten tijde van het inschrijvingsonderzoek.” 5.7. De rechtbank is van oordeel dat op grond van de hierboven aangehaalde bepalingen het taxatierapport niet gebruikt kan worden bij het vaststellen van de vermindering en de daarvoor te verstrekken opgaaf als bedoeld in artikel 10 van de Wet BPM. Gelet op de door de staatssecretaris gegeven toelichting, kan artikel 8, vierde lid, onderdeel b, van de Uitvoeringsregeling BPM redelijkerwijs niet zo worden gelezen dat het mogelijk is om gebruik te maken van een taxatierapport dat is opgesteld na het afschrijvingsmoment, ook al is dat maar één dag. Die lezing druist gelet op de feiten en omstandigheden van het geval naar het oordeel van de rechtbank niet in tegen enig rechtsbeginsel. Daarbij weegt mee dat belanghebbende niet heeft aangegeven wat maakt dat de auto door de taxateur pas na de RDW goedkeuring is geschouwd. Dat het buiten beschouwing laten van haar taxatierapport in dit geval tot een onevenredige uitkomst leidt, is reeds daardoor niet aannemelijk geworden. De beroepsgrond van belanghebbende slaagt niet. Hoogte naheffingsaanslag 5.8. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is de naheffingsaanslag terecht en niet tot een te hoog bedrag opgelegd. Immateriële schadevergoeding 5.9. Belanghebbende heeft op 22 augustus 2023 verzocht om toekenning van een immateriële schadevergoeding vanwege de overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen het onderhavige geschil beslecht had moeten zijn. 5.10. De rechtbank stelt vast dat de inspecteur het bezwaarschrift op 15 juli 2022 heeft ontvangen. De rechtbank doet uitspraak op 11 mei 2026. De redelijke termijn van twee jaar is met afgerond 22 maanden overschreden. Belanghebbende heeft recht op een schadevergoeding van € 2.000. 5.11.
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:3989 text/xml public 2026-05-20T11:16:30 2026-05-11 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-05-11 BRE 23/3916 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Breda Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:3989 text/html public 2026-05-20T11:16:11 2026-05-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:3989 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 11-05-2026 / BRE 23/3916 BPM, mandaatverbod, taxatiemethode niet van toepassing RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Belastingrecht zaaknummer: BRE 23/3916 uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 11 mei 2026 in de zaak tussen [belanghebbende] V.O.F., gevestigd te [plaats] , belanghebbende, (gemachtigde: mr. S.M. Bothof), en de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur, en de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid), de Staat. Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 23 juni 2023. 1.1. De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd van € 9.954 aan verschuldigde Bpm. 1.2. De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard. 1.3. De rechtbank heeft het beroep op 18 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens belanghebbende mr. S.M. Bothof, verbonden aan Bothof Services B.V. en namens de inspecteur mr. [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2] . Beoordeling door de rechtbank 2. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur de naheffingsaanslag terecht en niet tot een te hoog bedrag aan belanghebbende heeft opgelegd. De rechtbank doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende. 3. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond moet worden verklaard. De naheffingsaanslag is terecht en niet tot een te hoog bedrag opgelegd. 3.1. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Feiten 4. Belanghebbende heeft op 10 mei 2022 aangifte gedaan ter zake van de inschrijving van een BMW X5 met [VIN-nummer] (de auto), en een bedrag aan Bpm voldaan van € 1.940. 4.1. Belanghebbende heeft in de aangifte een beroep gedaan op de taxatiemethode en een taxatierapport bij de aangifte gevoegd. Het taxatierapport is gedateerd op 10 mei 2022. In het rapport is vermeld dat de auto door de taxateur op 6 mei 2022 is geschouwd. 4.2. De inspecteur heeft het standpunt ingenomen dat de taxatiemethode niet kan worden toegepast, omdat de schouw door de taxateur heeft plaatsgevonden na goedkeuring van de auto door de RDW. De inspecteur heeft de verschuldigde Bpm op basis van de forfaitaire afschrijvingstabel berekend op € 11.894 en de naheffingsaanslag opgelegd. Motivering 5. Voordat de rechtbank toekomt aan behandeling van de inhoudelijke gronden tegen de naheffingsaanslag Bpm, gaat zij allereerst in op de stelling van belanghebbende dat de uitspraak op bezwaar onbevoegd zou zijn genomen. Mandaatverbod 5.1. Belanghebbende stelt dat de uitspraak op bezwaar mogelijk onbevoegd is genomen. Ter onderbouwing voert zij aan dat de kennisgeving en de mededeling naheffingsaanslag zijn ondertekend door drs. [persoon 1] , maar dat mag worden aangenomen dat [persoon 1] , als algemeen directeur van de afdeling Centrale Administratieve Processen, niet zelf betrokken is geweest bij het opstellen van deze stukken. Volgens belanghebbende kan daarom niet worden uitgesloten dat de naheffingsaanslag en de uitspraak op bezwaar door dezelfde persoon zijn opgelegd c.q. gedaan. 5.2. De uitspraak op bezwaar is getekend door [persoon 2] . De inspecteur heeft onweersproken gesteld en met schriftelijke stukken nader onderbouwd dat [persoon 3] de behandelaar van de kennisgeving, de mededeling en de naheffingsaanslag was. De naheffingsaanslag is verzonden door [persoon 4] . Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur hiermee aannemelijk gemaakt dat hij niet in strijd heeft gehandeld met het mandaatverbod bij het doen van uitspraak op bezwaar. 5.3. Dat, zoals belanghebbende stelt, de inspecteur door zijn handelwijze belanghebbende een eerlijk proces heeft onthouden, is ook niet gebleken. De rechtbank wijst deze beroepsgrond van belanghebbende af. De taxatiemethode 5.4. Tussen partijen staat vast dat het moment waarop de auto door de RDW is gekeurd, het afschrijvingsmoment, 5 mei 2022 is, en dat de fysieke opname ten behoeve van het opstellen van het taxatierapport in opdracht van belanghebbende op 6 mei 2022 heeft plaatsgevonden. Hiermee staat vast dat de fysieke schouw van de auto een dag na de keuring bij de RDW heeft plaatsgevonden en dat het taxatierapport ook is opgemaakt na de keuring bij de RDW. 5.5. Belanghebbende stelt dat zij, hoewel de fysieke opname heeft plaatsgevonden na de keuring bij de RDW, toch aangifte mocht doen met gebruikmaking van de taxatiemethode. Volgens haar kan artikel 8, vierde lid, van de Uitvoeringsregeling BPM niet zo worden gelezen dat het niet is toegestaan om een taxatierapport te gebruiken waarin de auto is geschouwd één dag na de keuring bij de RDW. Steun voor die opvatting vindt belanghebbende in overweging 4.6.5 van het arrest van de Hoge Raad van 3 oktober 2025. Volgens haar komt de andersluidende opvatting van de inspecteur in strijd met de doelstelling van de wetgever, en daarmee in strijd met het evenredigheidsbeginsel. 5.6. De rechtbank overweegt als volgt. Per 1 januari 2022 bepaalt artikel 8, vierde lid, onderdeel b, van de Uitvoeringsregeling BPM onder meer dat de fysieke opname heeft plaatsgevonden ten hoogste een maand vóór het afschrijvingsmoment. In de toelichting op die regeling is hierover verder het volgende vermeld: “Artikel 8, vierde lid, UR BPM 1992 wordt aangepast zodat de fysieke opname door de inspecteur moet gebeuren binnen één maand voor het afschrijvingsmoment. Dat betekent automatisch ook dat het taxatierapport moet zijn opgesteld binnen één maand voor het afschrijvingsmoment. Het afschrijvingsmoment bij de inschrijving van een gebruikt motorrijtuig in het kentekenregister is het inschrijvingsonderzoek van de RDW. Tevens moet de staat van het motorrijtuig in het taxatierapport overeenkomen met de staat van het motorrijtuig ten tijde van het inschrijvingsonderzoek.” 5.7. De rechtbank is van oordeel dat op grond van de hierboven aangehaalde bepalingen het taxatierapport niet gebruikt kan worden bij het vaststellen van de vermindering en de daarvoor te verstrekken opgaaf als bedoeld in artikel 10 van de Wet BPM. Gelet op de door de staatssecretaris gegeven toelichting, kan artikel 8, vierde lid, onderdeel b, van de Uitvoeringsregeling BPM redelijkerwijs niet zo worden gelezen dat het mogelijk is om gebruik te maken van een taxatierapport dat is opgesteld na het afschrijvingsmoment, ook al is dat maar één dag. Die lezing druist gelet op de feiten en omstandigheden van het geval naar het oordeel van de rechtbank niet in tegen enig rechtsbeginsel. Daarbij weegt mee dat belanghebbende niet heeft aangegeven wat maakt dat de auto door de taxateur pas na de RDW goedkeuring is geschouwd. Dat het buiten beschouwing laten van haar taxatierapport in dit geval tot een onevenredige uitkomst leidt, is reeds daardoor niet aannemelijk geworden. De beroepsgrond van belanghebbende slaagt niet. Hoogte naheffingsaanslag 5.8. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is de naheffingsaanslag terecht en niet tot een te hoog bedrag opgelegd. Immateriële schadevergoeding 5.9. Belanghebbende heeft op 22 augustus 2023 verzocht om toekenning van een immateriële schadevergoeding vanwege de overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen het onderhavige geschil beslecht had moeten zijn. 5.10. De rechtbank stelt vast dat de inspecteur het bezwaarschrift op 15 juli 2022 heeft ontvangen. De rechtbank doet uitspraak op 11 mei 2026. De redelijke termijn van twee jaar is met afgerond 22 maanden overschreden. Belanghebbende heeft recht op een schadevergoeding van € 2.000. 5.11.