Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-03-23
ECLI:NL:RBZWB:2026:2033
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
8,166 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:2033 text/xml public 2026-03-27T16:31:59 2026-03-20 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-03-23 24/5742 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Breda Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl Viditax (FutD) 2026032717 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:2033 text/html public 2026-03-26T16:37:04 2026-03-26 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:2033 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 23-03-2026 / 24/5742 Rendementsgrondslag box 3. Geen aanleiding om box 3-regels zoals schuldendrempel buiten beschouwing te laten. Premies zorgverzekering voor het volgende jaar zijn geen schuld. RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Belastingrecht zaaknummer: BRE 24/5742 uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 23 maart 2026 in de zaak tussen [belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende, (gemachtigde: [gemachtigde] ), en de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur, en de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 19 juni 2024. 1.1. De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2021 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd. Daarbij is bij beschikking de rendementsgrondslag bepaald op € 36.342. 1.2. De inspecteur heeft het verzoek om ambtshalve vermindering van de rendementsgrondslag gedeeltelijk toegewezen. Het bezwaar tegen deze beslissing is afgewezen. 1.3. De rechtbank heeft het beroep op 9 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: gemachtigde en namens de inspecteur, mr. [inspecteur 1] , [inspecteur 2] en [inspecteur 3] . Feiten 2. Belanghebbende heeft aangifte gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 18.476 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 0. In het kader van de berekening van het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen (het box 3-inkomen) heeft belanghebbende vermeld dat de bezittingen € 36.342 bedragen en zij geen aftrekbare schulden heeft. De definitieve aanslag is op 24 januari 2023 conform deze aangifte opgelegd. 2.1. Op 4 maart 2023 heeft belanghebbende de definitieve berekening van haar toeslagen over 2021 ontvangen. De huurtoeslag is vastgesteld op € 0, omdat haar vermogen te hoog is voor de huurtoeslag. 2.2. Op 15 maart 2023 komt belanghebbende in bezwaar tegen de definitieve berekening van de huurtoeslag met als argument dat is verzuimd om rekening te houden met een schuld van € 4.671 aan DUO en een creditcardschuld van € 1.952. Deze brief is mede aangemerkt als (te laat) bezwaar tegen en (tijdig) verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslag IB/PVV 2021. 2.3. De inspecteur heeft op 22 september 2023 zijn voornemen kenbaar gemaakt om het bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren en het bezwaar inhoudelijk te behandelen als een verzoek om ambtshalve vermindering. Daarnaast is de inspecteur voornemens om gedeeltelijk aan het verzoek tegemoet te komen en € 36.332 in aanmerking te nemen als waarde van de bezittingen en € 1.471 als schulden (na toepassing van de drempel van € 3.200). Alleen de schuld van DUO is meegenomen. 2.4. Belanghebbende heeft in reactie hierop aanvullende stukken overgelegd en gesteld dat verzuimd is om een schuld van € 1.805 in aanmerking te nemen, welke ziet op de te betalen premies zorgverzekering voor 2021. 2.5. Op 31 december 2020 heeft Stad Holland Zorgverzekeraar een e-mail aan belanghebbende gestuurd ter bevestiging dat zij per 1 januari 2021 bij hen is verzekerd. In de e-mail staat: “De premie bedraagt € 1.847,28 per jaar. U heeft gekozen voor een jaarbetaling. De korting hiervoor is 1%. Indien u gekozen heeft voor automatische incasso, dan wordt de premie op 8 januari van uw rekening geïncasseerd. Wilt u uw premie nog in 2020 betalen? Dat kunt u doen door deze over te maken op rekeningnummer (…), onder vermelding van uw verzekerdennummer.” 2.6. De verschuldigde premies van € 1.847,28 aan de zorgverzekeraar voor het jaar 2021 zijn op 8 januari 2021 voldaan. 2.7. De inspecteur heeft het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, heeft de inhoud van het bezwaarschrift als een verzoek om ambtshalve vermindering behandeld en is deels aan dit verzoek tegemoetgekomen. De rendementsgrondslag is vastgesteld op € 32.909. Zowel de schuld aan DUO als de creditcardschuld is meegenomen. De te betalen premies voor de zorgverzekering zijn niet als schuld in aanmerking genomen. Verder is rekening gehouden met de drempel van € 3.200 voor schulden. Belanghebbende komt in bezwaar tegen de beslissing op het verzoek. Dit bezwaar is afgewezen. Beoordeling door de rechtbank 3. De rechtbank beoordeelt of de rendementsgrondslag te hoog is vastgesteld. Meer specifiek beoordeelt de rechtbank of sprake is van een box 3 schuld ter hoogte van de verschuldigde premies voor de zorgverzekeraar die voor het onderhavige jaar ineens zijn betaald. Daarnaast is in geschil of sprake is van schending van het vertrouwensbeginsel en of recht bestaat op schadevergoeding, proceskostenvergoeding en vergoeding van immateriële schade. De rechtbank doet de beoordeling aan de hand van de argumenten van belanghebbende, de beroepsgronden. 4. De rechtbank is van oordeel dat de rendementsgrondslag niet te hoog is vastgesteld, geen sprake is van schending van het vertrouwensbeginsel, geen recht bestaat op een schadevergoeding en proceskostenvergoeding. Wel ziet de rechtbank aanleiding om belanghebbende een vergoeding van immateriële schade te geven vanwege het overschrijden van de redelijke termijn. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Motivering Vooraf 5. Tussen partijen is niet in geschil dat het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen terecht op € 0 is vastgesteld. Het procesbelang van belanghebbende bij deze procedure is dan ook niet gelegen in de hoogte van de aanslag IB/PVV 2021. Omdat de hoogte van de rendementsgrondslag direct van invloed is op het recht van belanghebbende op huurtoeslag, bestaat er wel een procesbelang bij deze procedure. De rechtbank komt daarom aan een beoordeling van de gronden toe. Rendementsgrondslag (box 3) 5.1. Belanghebbende stelt dat de rendementsgrondslag te hoog is vastgesteld, omdat ten onrechte geen rekening is gehouden met een schuld ter zake van de zorgverzekeringspremies. Volgens belanghebbende is sprake van een schuld omdat in 2020 is toegezegd dat de premies voor het jaar 2021 ineens zouden worden betaald. Ook is belanghebbende het niet eens met de toepassing van de schuldendrempel in dit geval. Daarnaast voert belanghebbende aan dat de uitkomst leidt tot een disproportionele terugvordering waarbij geen menselijke maat is gehanteerd en dat de box 3-regels daarom buiten beschouwing moeten worden gelaten. 5.2. De rechtbank stelt voorop dat de rendementsgrondslag wordt vastgesteld op grond van artikel 9.4 in samenhang met artikel 5.3 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001). Dit betekent dat de rendementsgrondslag wordt berekend met toepassing van de wettelijke bepalingen die gelden voor box 3. De rechtbank kan in deze procedure alleen de hoogte van de rendementsgrondslag bepalen. De omstandigheid of bij de toekenning van toeslagen gebruik mag worden gemaakt van de vastgestelde rendementsgrondslag voor box 3, valt buiten deze procedure. De rechtbank komt daarom niet toe aan een beoordeling van de standpunten van belanghebbende dat de schuldendrempel niet moet worden toegepast bij het gebruik van de rendementsgrondslag voor de toeslagen en dat de terugvordering van toeslagen buitenproportioneel is. De rechtbank ziet in hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd ook geen aanleiding om de wettelijke bepalingen over box 3 buiten beschouwing te laten bij het vaststellen van de rendementsgrondslag. De rechtbank zal daarom met toepassing van die regels – en dus ook met toepassing van de schuldendrempel – beoordelen hoe hoog de rendementsgrondslag is. 5.3. Het geschil spitst zich toe op de vraag of op waardepeildatum een schuld aan de zorgverzekeraar bestond.
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:2033 text/xml public 2026-05-06T10:01:41 2026-03-20 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-03-23 24/5742 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Breda Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl Viditax (FutD) 2026032717 FutD 2026-0553 V-N Vandaag 2026/599 VFP 2026/78 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:2033 text/html public 2026-03-26T16:37:04 2026-03-26 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:2033 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 23-03-2026 / 24/5742 Rendementsgrondslag box 3. Geen aanleiding om box 3-regels zoals schuldendrempel buiten beschouwing te laten. Premies zorgverzekering voor het volgende jaar zijn geen schuld. RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Belastingrecht zaaknummer: BRE 24/5742 uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 23 maart 2026 in de zaak tussen [belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende, (gemachtigde: [gemachtigde] ), en de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur, en de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 19 juni 2024. 1.1. De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2021 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd. Daarbij is bij beschikking de rendementsgrondslag bepaald op € 36.342. 1.2. De inspecteur heeft het verzoek om ambtshalve vermindering van de rendementsgrondslag gedeeltelijk toegewezen. Het bezwaar tegen deze beslissing is afgewezen. 1.3. De rechtbank heeft het beroep op 9 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: gemachtigde en namens de inspecteur, mr. [inspecteur 1] , [inspecteur 2] en [inspecteur 3] . Feiten 2. Belanghebbende heeft aangifte gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 18.476 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 0. In het kader van de berekening van het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen (het box 3-inkomen) heeft belanghebbende vermeld dat de bezittingen € 36.342 bedragen en zij geen aftrekbare schulden heeft. De definitieve aanslag is op 24 januari 2023 conform deze aangifte opgelegd. 2.1. Op 4 maart 2023 heeft belanghebbende de definitieve berekening van haar toeslagen over 2021 ontvangen. De huurtoeslag is vastgesteld op € 0, omdat haar vermogen te hoog is voor de huurtoeslag. 2.2. Op 15 maart 2023 komt belanghebbende in bezwaar tegen de definitieve berekening van de huurtoeslag met als argument dat is verzuimd om rekening te houden met een schuld van € 4.671 aan DUO en een creditcardschuld van € 1.952. Deze brief is mede aangemerkt als (te laat) bezwaar tegen en (tijdig) verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslag IB/PVV 2021. 2.3. De inspecteur heeft op 22 september 2023 zijn voornemen kenbaar gemaakt om het bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren en het bezwaar inhoudelijk te behandelen als een verzoek om ambtshalve vermindering. Daarnaast is de inspecteur voornemens om gedeeltelijk aan het verzoek tegemoet te komen en € 36.332 in aanmerking te nemen als waarde van de bezittingen en € 1.471 als schulden (na toepassing van de drempel van € 3.200). Alleen de schuld van DUO is meegenomen. 2.4. Belanghebbende heeft in reactie hierop aanvullende stukken overgelegd en gesteld dat verzuimd is om een schuld van € 1.805 in aanmerking te nemen, welke ziet op de te betalen premies zorgverzekering voor 2021. 2.5. Op 31 december 2020 heeft Stad Holland Zorgverzekeraar een e-mail aan belanghebbende gestuurd ter bevestiging dat zij per 1 januari 2021 bij hen is verzekerd. In de e-mail staat: “De premie bedraagt € 1.847,28 per jaar. U heeft gekozen voor een jaarbetaling. De korting hiervoor is 1%. Indien u gekozen heeft voor automatische incasso, dan wordt de premie op 8 januari van uw rekening geïncasseerd. Wilt u uw premie nog in 2020 betalen? Dat kunt u doen door deze over te maken op rekeningnummer (…), onder vermelding van uw verzekerdennummer.” 2.6. De verschuldigde premies van € 1.847,28 aan de zorgverzekeraar voor het jaar 2021 zijn op 8 januari 2021 voldaan. 2.7. De inspecteur heeft het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, heeft de inhoud van het bezwaarschrift als een verzoek om ambtshalve vermindering behandeld en is deels aan dit verzoek tegemoetgekomen. De rendementsgrondslag is vastgesteld op € 32.909. Zowel de schuld aan DUO als de creditcardschuld is meegenomen. De te betalen premies voor de zorgverzekering zijn niet als schuld in aanmerking genomen. Verder is rekening gehouden met de drempel van € 3.200 voor schulden. Belanghebbende komt in bezwaar tegen de beslissing op het verzoek. Dit bezwaar is afgewezen. Beoordeling door de rechtbank 3. De rechtbank beoordeelt of de rendementsgrondslag te hoog is vastgesteld. Meer specifiek beoordeelt de rechtbank of sprake is van een box 3 schuld ter hoogte van de verschuldigde premies voor de zorgverzekeraar die voor het onderhavige jaar ineens zijn betaald. Daarnaast is in geschil of sprake is van schending van het vertrouwensbeginsel en of recht bestaat op schadevergoeding, proceskostenvergoeding en vergoeding van immateriële schade. De rechtbank doet de beoordeling aan de hand van de argumenten van belanghebbende, de beroepsgronden. 4. De rechtbank is van oordeel dat de rendementsgrondslag niet te hoog is vastgesteld, geen sprake is van schending van het vertrouwensbeginsel, geen recht bestaat op een schadevergoeding en proceskostenvergoeding. Wel ziet de rechtbank aanleiding om belanghebbende een vergoeding van immateriële schade te geven vanwege het overschrijden van de redelijke termijn. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Motivering Vooraf 5. Tussen partijen is niet in geschil dat het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen terecht op € 0 is vastgesteld. Het procesbelang van belanghebbende bij deze procedure is dan ook niet gelegen in de hoogte van de aanslag IB/PVV 2021. Omdat de hoogte van de rendementsgrondslag direct van invloed is op het recht van belanghebbende op huurtoeslag, bestaat er wel een procesbelang bij deze procedure. De rechtbank komt daarom aan een beoordeling van de gronden toe. Rendementsgrondslag (box 3) 5.1. Belanghebbende stelt dat de rendementsgrondslag te hoog is vastgesteld, omdat ten onrechte geen rekening is gehouden met een schuld ter zake van de zorgverzekeringspremies. Volgens belanghebbende is sprake van een schuld omdat in 2020 is toegezegd dat de premies voor het jaar 2021 ineens zouden worden betaald. Ook is belanghebbende het niet eens met de toepassing van de schuldendrempel in dit geval. Daarnaast voert belanghebbende aan dat de uitkomst leidt tot een disproportionele terugvordering waarbij geen menselijke maat is gehanteerd en dat de box 3-regels daarom buiten beschouwing moeten worden gelaten. 5.2. De rechtbank stelt voorop dat de rendementsgrondslag wordt vastgesteld op grond van artikel 9.4 in samenhang met artikel 5.3 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001). Dit betekent dat de rendementsgrondslag wordt berekend met toepassing van de wettelijke bepalingen die gelden voor box 3. De rechtbank kan in deze procedure alleen de hoogte van de rendementsgrondslag bepalen. De omstandigheid of bij de toekenning van toeslagen gebruik mag worden gemaakt van de vastgestelde rendementsgrondslag voor box 3, valt buiten deze procedure. De rechtbank komt daarom niet toe aan een beoordeling van de standpunten van belanghebbende dat de schuldendrempel niet moet worden toegepast bij het gebruik van de rendementsgrondslag voor de toeslagen en dat de terugvordering van toeslagen buitenproportioneel is. De rechtbank ziet in hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd ook geen aanleiding om de wettelijke bepalingen over box 3 buiten beschouwing te laten bij het vaststellen van de rendementsgrondslag. De rechtbank zal daarom met toepassing van die regels – en dus ook met toepassing van de schuldendrempel – beoordelen hoe hoog de rendementsgrondslag is. 5.3. Het geschil spitst zich toe op de vraag of op waardepeildatum een schuld aan de zorgverzekeraar bestond.
Volledig
De rechtbank overweegt dat alleen schulden die op de peildatum (1 januari 2021) bestaan en een waarde hebben in het economische verkeer in aanmerking worden genomen. Naar het oordeel van de rechtbank is daarvan geen sprake bij de zorgverzekeringspremies. Op 1 januari 2021 bestond nog geen verplichting tot betaling van deze premies. Reeds daarom is er geen sprake van een schuld in box 3. De omstandigheid dat belanghebbende voor de waardepeildatum heeft toegezegd dat de premies ineens zouden worden betaald, leidt ook niet tot het ontstaan van een schuld in box 3 op dat moment. De premies hoefden pas in 2021 te worden betaald. 5.4. Zelfs indien zou worden aangenomen dat per 1 januari 2021 wel een verplichting tot betaling van de premies zou bestaan, leidt dit niet tot een andere conclusie. De rechtbank overweegt daartoe dat de zorgverzekering een samenhangend geheel vormt van rechten en verplichtingen, waarbij enerzijds een verplichting bestaat tot het betalen van de premie en anderzijds een recht op dekking van zorgkosten. Deze verplichting kan niet los worden gezien van het daartegenover staande recht. Zolang het recht op dekking en de verplichting tot betaling beide bestaan, vertegenwoordigt dit per saldo daarom geen waarde in het economische verkeer. Dit brengt mee dat de betaling vooraf van zorgverzekeringspremies niet als zelfstandige schuld in aanmerking kan worden genomen in box 3. De rechtbank sluit hiermee aan bij het kennisgroepstandpunt van de Belastingdienst. 5.5. De bovenstaande beroepsgronden slagen daarom niet en de rechtbank is van oordeel dat de inspecteur de rendementsgrondslag terecht heeft vastgesteld op € 32.909. Vertrouwensbeginsel 5.6. Belanghebbende stelt dat hij aan een e-mail van de Belastingdienst het vertrouwen mocht ontlenen dat de zorgverzekeringspremies als schuld zouden worden meegenomen. 5.7. De rechtbank overweegt dat voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel belanghebbende aannemelijk moet maken dat door de inspecteur toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit belanghebbende in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en zo ja, hoe de inspecteur in een concreet geval zijn bevoegdheden zou uitoefenen. Uit de e‑mail waarnaar belanghebbende verwijst blijkt geen toezegging vanuit de inspecteur. De inspecteur geeft juist te kennen dat hij inhoudelijk niet meer mag oordelen over de zaak en dat hij de e-mail doorzet naar de bezwaarbehandelaar. Belanghebbende kon hieraan dan ook niet het gerechtvaardigde vertrouwen ontlenen dat de zorgverzekeringspremies als schuld zouden worden meegenomen. 5.8. Ook de verwijzing naar het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap, maakt dit niet anders. Dit verdrag strekt ertoe een gelijke behandeling en gelijke toegang tot rechten voor persoenen met een handicap te waarborgen. Het verdrag verbiedt niet iedere vorm van belastingheffing. Van belang is dat personen met een handicap niet ongelijk worden behandeld ten opzichte van andere personen. De regels van box 3 worden in dit geval op gelijke wijze toegepast op alle belastingplichtigen en de fysieke beperkingen van belanghebbende spelen daarbij geen enkele rol. Er is daarom geen sprake van strijd met dit verdrag. Immateriële schadevergoeding 5.9. Belanghebbende maakt aanspraak op vergoeding van immateriële schade in verband met de duur van de bezwaar- en de beroepsprocedures. 5.10. Er bestaat als uitgangspunt recht op een vergoeding van eenmaal € 500 per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden. Een uitzondering is gemaakt als het financiële belang minder is dan € 1.000. 5.11. Op grond van vaste jurisprudentie geldt als uitgangspunt dat, behoudens bijzondere omstandigheden, de berechting van een zaak in de bezwaar- en de beroepsfase niet binnen een redelijke termijn heeft plaatsgevonden, als de rechtbank niet binnen twee jaar nadat de termijn is begonnen, uitspraak doet. De termijn begint in beginsel op het moment waarop de inspecteur het bezwaarschrift ontvangt en eindigt op het moment waarop de rechtbank uitspraak doet. Hierbij geldt dat de bezwaarfase onredelijk lang heeft geduurd voor zover de duur daarvan een half jaar overschrijdt en de beroepsfase voor zover zij meer dan anderhalf jaar in beslag heeft genomen. 5.12. In deze zaak neemt de rechtbank als aanvangsmoment 14 november 2023, zijnde de datum van ontvangst van het bezwaarschrift tegen de beslissing op het verzoek om ambtshalve vermindering. Dat is het moment waarop de bezwaarfase is aangevangen die vooraf ging aan deze beroepsprocedure. Voor zover belang hebbende ook heeft gewezen op eerdere correspondentie over de toeslagen en de datum van het bezwaarschrift tegen de definitieve vaststelling van de huurtoeslag, volgt de rechtbank haar daarin niet. Dat bezwaarschrift is door de Belastingdienst immers voor zover van belang voor deze procedure – terecht – aangemerkt als een verzoek om ambtshalve vermindering, zodat die datum niet bepalend is voor de aanvang van de redelijke termijn in deze procedure. Uitgaande van 14 november 2023 als startdatum eindigde de redelijke termijn daarom op 14 november 2025. 5.13. Nu die termijn is overschreden met afgerond vijf maanden, heeft belanghebbende recht op vergoeding van immateriële schade. De rechtbank stelt die vergoeding vast op € 500. Daarbij gaat de rechtbank ervan uit dat het financiële belang van belanghebbende bij deze procedure hoger is dan € 1.000, gelet op de invloed die de rendementsgrondslag heeft op de hoogte van de huurtoeslag. 5.14. De redelijke termijn voor de bezwaarfase, van in beginsel 6 maanden, is afgerond met 1 maand overschreden. Dit leidt ertoe dat van de toegekende immateriële schadevergoeding afgerond € 100 (1/5e deel van € 500) voor rekening van de inspecteur komt en een bedrag van € 400 (4/5e deel van € 500) voor rekening van de Staat. 5.15. Voor wat betreft alle overige verzoeken om schadevergoeding komt de rechtbank niet toe aan een beoordeling omdat sprake is van een ongegrond beroep. Conclusie en gevolgen 6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent de uitspraak op bezwaar in stand blijft. Wel heeft belanghebbende recht op een immateriële schadevergoeding van € 500. 6.1. Omdat het verzoek om immateriële schadevergoeding wordt toegewezen, komt belanghebbende in aanmerking voor een vergoeding van haar proceskosten voor het indienen van dat verzoek in het beroepschrift. Belanghebbende heeft verzocht om een proceskostenvergoeding op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht wegens door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De inspecteur heeft gemotiveerd betwist dat daarvan geen sprake is. 6.2. Belanghebbende heeft zich laten bijstaan door haar vader. Hoewel een familierelatie op zichzelf niet eraan in de weg staat dat sprake kan zijn van een derde, geldt dat in een dergelijk geval in beginsel moet worden aangenomen dat de verleende rechtsbijstand niet op zakelijke basis heeft plaatsgevonden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat de door haar vader verleende rechtsbijstand op zakelijke basis heeft plaatsgevonden. Belanghebbende heeft, zonder nadere onderbouwing, niet aannemelijk gemaakt dat op haar een verplichting rust of zal komen te rusten om kosten ter zake van de verleende rechtsbijstand te voldoen. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om een vergoeding voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand toe te kennen. Overige proceskosten voor het indienen van het verzoek zijn niet gesteld of gebleken. De rechtbank komt daarom niet toe aan een veroordeling in de proceskosten. 6.3. Belanghebbende krijgt het griffierecht niet vergoed, omdat de redelijke termijn nog niet was overschreden ten tijde van het arrest van de Hoge Raad van 31 mei 2024. Beslissing De rechtbank: -verklaart het beroep ongegrond; -veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 100; -veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 400. Deze uitspraak is gedaan door mr. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van mr. S.
Volledig
De rechtbank overweegt dat alleen schulden die op de peildatum (1 januari 2021) bestaan en een waarde hebben in het economische verkeer in aanmerking worden genomen. Naar het oordeel van de rechtbank is daarvan geen sprake bij de zorgverzekeringspremies. Op 1 januari 2021 bestond nog geen verplichting tot betaling van deze premies. Reeds daarom is er geen sprake van een schuld in box 3. De omstandigheid dat belanghebbende voor de waardepeildatum heeft toegezegd dat de premies ineens zouden worden betaald, leidt ook niet tot het ontstaan van een schuld in box 3 op dat moment. De premies hoefden pas in 2021 te worden betaald. 5.4. Zelfs indien zou worden aangenomen dat per 1 januari 2021 wel een verplichting tot betaling van de premies zou bestaan, leidt dit niet tot een andere conclusie. De rechtbank overweegt daartoe dat de zorgverzekering een samenhangend geheel vormt van rechten en verplichtingen, waarbij enerzijds een verplichting bestaat tot het betalen van de premie en anderzijds een recht op dekking van zorgkosten. Deze verplichting kan niet los worden gezien van het daartegenover staande recht. Zolang het recht op dekking en de verplichting tot betaling beide bestaan, vertegenwoordigt dit per saldo daarom geen waarde in het economische verkeer. Dit brengt mee dat de betaling vooraf van zorgverzekeringspremies niet als zelfstandige schuld in aanmerking kan worden genomen in box 3. De rechtbank sluit hiermee aan bij het kennisgroepstandpunt van de Belastingdienst. 5.5. De bovenstaande beroepsgronden slagen daarom niet en de rechtbank is van oordeel dat de inspecteur de rendementsgrondslag terecht heeft vastgesteld op € 32.909. Vertrouwensbeginsel 5.6. Belanghebbende stelt dat hij aan een e-mail van de Belastingdienst het vertrouwen mocht ontlenen dat de zorgverzekeringspremies als schuld zouden worden meegenomen. 5.7. De rechtbank overweegt dat voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel belanghebbende aannemelijk moet maken dat door de inspecteur toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit belanghebbende in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en zo ja, hoe de inspecteur in een concreet geval zijn bevoegdheden zou uitoefenen. Uit de e‑mail waarnaar belanghebbende verwijst blijkt geen toezegging vanuit de inspecteur. De inspecteur geeft juist te kennen dat hij inhoudelijk niet meer mag oordelen over de zaak en dat hij de e-mail doorzet naar de bezwaarbehandelaar. Belanghebbende kon hieraan dan ook niet het gerechtvaardigde vertrouwen ontlenen dat de zorgverzekeringspremies als schuld zouden worden meegenomen. 5.8. Ook de verwijzing naar het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap, maakt dit niet anders. Dit verdrag strekt ertoe een gelijke behandeling en gelijke toegang tot rechten voor persoenen met een handicap te waarborgen. Het verdrag verbiedt niet iedere vorm van belastingheffing. Van belang is dat personen met een handicap niet ongelijk worden behandeld ten opzichte van andere personen. De regels van box 3 worden in dit geval op gelijke wijze toegepast op alle belastingplichtigen en de fysieke beperkingen van belanghebbende spelen daarbij geen enkele rol. Er is daarom geen sprake van strijd met dit verdrag. Immateriële schadevergoeding 5.9. Belanghebbende maakt aanspraak op vergoeding van immateriële schade in verband met de duur van de bezwaar- en de beroepsprocedures. 5.10. Er bestaat als uitgangspunt recht op een vergoeding van eenmaal € 500 per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden. Een uitzondering is gemaakt als het financiële belang minder is dan € 1.000. 5.11. Op grond van vaste jurisprudentie geldt als uitgangspunt dat, behoudens bijzondere omstandigheden, de berechting van een zaak in de bezwaar- en de beroepsfase niet binnen een redelijke termijn heeft plaatsgevonden, als de rechtbank niet binnen twee jaar nadat de termijn is begonnen, uitspraak doet. De termijn begint in beginsel op het moment waarop de inspecteur het bezwaarschrift ontvangt en eindigt op het moment waarop de rechtbank uitspraak doet. Hierbij geldt dat de bezwaarfase onredelijk lang heeft geduurd voor zover de duur daarvan een half jaar overschrijdt en de beroepsfase voor zover zij meer dan anderhalf jaar in beslag heeft genomen. 5.12. In deze zaak neemt de rechtbank als aanvangsmoment 14 november 2023, zijnde de datum van ontvangst van het bezwaarschrift tegen de beslissing op het verzoek om ambtshalve vermindering. Dat is het moment waarop de bezwaarfase is aangevangen die vooraf ging aan deze beroepsprocedure. Voor zover belang hebbende ook heeft gewezen op eerdere correspondentie over de toeslagen en de datum van het bezwaarschrift tegen de definitieve vaststelling van de huurtoeslag, volgt de rechtbank haar daarin niet. Dat bezwaarschrift is door de Belastingdienst immers voor zover van belang voor deze procedure – terecht – aangemerkt als een verzoek om ambtshalve vermindering, zodat die datum niet bepalend is voor de aanvang van de redelijke termijn in deze procedure. Uitgaande van 14 november 2023 als startdatum eindigde de redelijke termijn daarom op 14 november 2025. 5.13. Nu die termijn is overschreden met afgerond vijf maanden, heeft belanghebbende recht op vergoeding van immateriële schade. De rechtbank stelt die vergoeding vast op € 500. Daarbij gaat de rechtbank ervan uit dat het financiële belang van belanghebbende bij deze procedure hoger is dan € 1.000, gelet op de invloed die de rendementsgrondslag heeft op de hoogte van de huurtoeslag. 5.14. De redelijke termijn voor de bezwaarfase, van in beginsel 6 maanden, is afgerond met 1 maand overschreden. Dit leidt ertoe dat van de toegekende immateriële schadevergoeding afgerond € 100 (1/5e deel van € 500) voor rekening van de inspecteur komt en een bedrag van € 400 (4/5e deel van € 500) voor rekening van de Staat. 5.15. Voor wat betreft alle overige verzoeken om schadevergoeding komt de rechtbank niet toe aan een beoordeling omdat sprake is van een ongegrond beroep. Conclusie en gevolgen 6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent de uitspraak op bezwaar in stand blijft. Wel heeft belanghebbende recht op een immateriële schadevergoeding van € 500. 6.1. Omdat het verzoek om immateriële schadevergoeding wordt toegewezen, komt belanghebbende in aanmerking voor een vergoeding van haar proceskosten voor het indienen van dat verzoek in het beroepschrift. Belanghebbende heeft verzocht om een proceskostenvergoeding op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht wegens door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De inspecteur heeft gemotiveerd betwist dat daarvan geen sprake is. 6.2. Belanghebbende heeft zich laten bijstaan door haar vader. Hoewel een familierelatie op zichzelf niet eraan in de weg staat dat sprake kan zijn van een derde, geldt dat in een dergelijk geval in beginsel moet worden aangenomen dat de verleende rechtsbijstand niet op zakelijke basis heeft plaatsgevonden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat de door haar vader verleende rechtsbijstand op zakelijke basis heeft plaatsgevonden. Belanghebbende heeft, zonder nadere onderbouwing, niet aannemelijk gemaakt dat op haar een verplichting rust of zal komen te rusten om kosten ter zake van de verleende rechtsbijstand te voldoen. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om een vergoeding voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand toe te kennen. Overige proceskosten voor het indienen van het verzoek zijn niet gesteld of gebleken. De rechtbank komt daarom niet toe aan een veroordeling in de proceskosten. 6.3. Belanghebbende krijgt het griffierecht niet vergoed, omdat de redelijke termijn nog niet was overschreden ten tijde van het arrest van de Hoge Raad van 31 mei 2024. Beslissing De rechtbank: -verklaart het beroep ongegrond; -veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 100; -veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 400. Deze uitspraak is gedaan door mr. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van mr. S.