Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-05-04
ECLI:NL:RBZWB:2026:3771
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,770 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:3771 text/xml public 2026-05-12T14:00:26 2026-05-04 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-05-04 BRE 25/4185 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Breda Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:3771 text/html public 2026-05-11T13:48:59 2026-05-12 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:3771 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 04-05-2026 / BRE 25/4185 8:54; De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk. De rechtbank stelt vast dat de inspecteur, nadat beroep bij de rechtbank was ingesteld, alsnog volledig aan de klachten van belanghebbende tegemoet is gekomen. Dit betekent dat deze beroepszaak niet meer tot een voor belanghebbende gunstiger resultaat kan leiden. Dit betekent dat er geen procesbelang meer is. Belanghebbende heeft geen proceskosten gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen. RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Belastingrecht zaaknummer: BRE 25/4185 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 mei 2026 in de zaak tussen [belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende en de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur. Inleiding 1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van belanghebbende tegen de bestreden uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 15 juli 2025. Het beroep ziet op de betaalde motorrijtuigenbelasting. 1.1. Omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. Beoordeling door de rechtbank 2. De inspecteur heeft bij brief van 29 september 2025 bevestigd dat belanghebbende voor het motorrijtuig geen fijnstoftoeslag verschuldigd is. Belanghebbende heeft de teveel betaalde belasting terugontvangen. 2.1. De rechtbank stelt vast dat de inspecteur, nadat beroep bij de rechtbank was ingesteld, alsnog volledig aan de klachten van belanghebbende tegemoet is gekomen. Dit betekent dat deze beroepszaak niet meer tot een voor belanghebbende gunstiger resultaat kan leiden. Dit betekent dat er geen procesbelang meer is. De rechtbank verklaart daarom het door belanghebbende ingestelde beroep wegens gebrek aan belang kennelijk niet-ontvankelijk. 2.2. In gevallen waarin een beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard, omdat het bestuursorgaan geheel aan de klachten van de belanghebbende tegemoet is gekomen, behoort de inspecteur tot vergoeding van het griffierecht te worden gelast. 2.3. Belanghebbende heeft verder verzocht om een vergoeding van zijn proceskosten bestaande uit: € 10,35 aan reiskosten naar de autodealer; € 23,10 aan verschotten in verband met het verzenden van aangetekende brieven; € 1076,10 aan andere kosten in verband met kosten expert (belanghebbende is zelf expert op dit gebied). 2.4. In dit geval moet worden bezien of in de omstandigheden van het geval, en in het bijzonder in de reden voor het vervallen van het procesbelang, grond is gelegen om over te gaan tot een proceskostenveroordeling. De rechtbank overweegt dat de proceskosten als uitgangspunt worden vergoed als in de beroepsfase aan belanghebbende wordt tegemoetgekomen. Belanghebbende heeft echter geen proceskosten gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen. 2.5. Een proceskostenveroordeling is alleen mogelijk voor kosten zoals bedoeld in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Kosten voor het versturen van brieven (inclusief kosten voor aangetekende verzending) vallen hier niet onder. Reis- en verblijfkosten komen voor vergoeding in aanmerking als deze zijn gemaakt voor het bijwonen van een (hoor)zitting of ten behoeve van een deugdelijke voorbereiding van processtukken. Uit het overzicht opgemaakt door belanghebbende volgt dat hij naar de BMW-dealer is gereden om te vragen hoe je aan uitstootgegevens kunt komen. De rechtbank is van oordeel dat deze kosten redelijkerwijs niet hadden hoeven te worden gemaakt, aangezien deze vraag ook telefonisch had kunnen worden gesteld. Verder komen alleen kosten van een deskundige voor vergoeding in aanmerking, indien het gaat om beroepsmatige bijstand. Daarvan is hier geen sprake. Belanghebbende geeft namelijk te kennen dat hij zich zelf in de materie heeft verdiept en een deskundige is en daarom zijn tijdsbesteding vergoed wil hebben. Tijdverzuim voor het opstellen of lezen van processtukken door een partij komt niet voor vergoeding in aanmerking. De rechtbank wijst het verzoek als kennelijk ongegrond af. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep niet-ontvankelijk; bepaalt dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 53,- vergoedt; wijst het verzoek om een proceskostenvergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van mr. W. Dekkers, griffier, op 4 mei 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. griffier rechter De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld. Informatie over verzet Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden. Vgl. Hoge Raad 15 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:43.
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:3771 text/xml public 2026-05-12T14:00:26 2026-05-04 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-05-04 BRE 25/4185 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Breda Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:3771 text/html public 2026-05-11T13:48:59 2026-05-12 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:3771 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 04-05-2026 / BRE 25/4185 8:54; De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk. De rechtbank stelt vast dat de inspecteur, nadat beroep bij de rechtbank was ingesteld, alsnog volledig aan de klachten van belanghebbende tegemoet is gekomen. Dit betekent dat deze beroepszaak niet meer tot een voor belanghebbende gunstiger resultaat kan leiden. Dit betekent dat er geen procesbelang meer is. Belanghebbende heeft geen proceskosten gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen. RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Belastingrecht zaaknummer: BRE 25/4185 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 mei 2026 in de zaak tussen [belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende en de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur. Inleiding 1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van belanghebbende tegen de bestreden uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 15 juli 2025. Het beroep ziet op de betaalde motorrijtuigenbelasting. 1.1. Omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. Beoordeling door de rechtbank 2. De inspecteur heeft bij brief van 29 september 2025 bevestigd dat belanghebbende voor het motorrijtuig geen fijnstoftoeslag verschuldigd is. Belanghebbende heeft de teveel betaalde belasting terugontvangen. 2.1. De rechtbank stelt vast dat de inspecteur, nadat beroep bij de rechtbank was ingesteld, alsnog volledig aan de klachten van belanghebbende tegemoet is gekomen. Dit betekent dat deze beroepszaak niet meer tot een voor belanghebbende gunstiger resultaat kan leiden. Dit betekent dat er geen procesbelang meer is. De rechtbank verklaart daarom het door belanghebbende ingestelde beroep wegens gebrek aan belang kennelijk niet-ontvankelijk. 2.2. In gevallen waarin een beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard, omdat het bestuursorgaan geheel aan de klachten van de belanghebbende tegemoet is gekomen, behoort de inspecteur tot vergoeding van het griffierecht te worden gelast. 2.3. Belanghebbende heeft verder verzocht om een vergoeding van zijn proceskosten bestaande uit: € 10,35 aan reiskosten naar de autodealer; € 23,10 aan verschotten in verband met het verzenden van aangetekende brieven; € 1076,10 aan andere kosten in verband met kosten expert (belanghebbende is zelf expert op dit gebied). 2.4. In dit geval moet worden bezien of in de omstandigheden van het geval, en in het bijzonder in de reden voor het vervallen van het procesbelang, grond is gelegen om over te gaan tot een proceskostenveroordeling. De rechtbank overweegt dat de proceskosten als uitgangspunt worden vergoed als in de beroepsfase aan belanghebbende wordt tegemoetgekomen. Belanghebbende heeft echter geen proceskosten gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen. 2.5. Een proceskostenveroordeling is alleen mogelijk voor kosten zoals bedoeld in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Kosten voor het versturen van brieven (inclusief kosten voor aangetekende verzending) vallen hier niet onder. Reis- en verblijfkosten komen voor vergoeding in aanmerking als deze zijn gemaakt voor het bijwonen van een (hoor)zitting of ten behoeve van een deugdelijke voorbereiding van processtukken. Uit het overzicht opgemaakt door belanghebbende volgt dat hij naar de BMW-dealer is gereden om te vragen hoe je aan uitstootgegevens kunt komen. De rechtbank is van oordeel dat deze kosten redelijkerwijs niet hadden hoeven te worden gemaakt, aangezien deze vraag ook telefonisch had kunnen worden gesteld. Verder komen alleen kosten van een deskundige voor vergoeding in aanmerking, indien het gaat om beroepsmatige bijstand. Daarvan is hier geen sprake. Belanghebbende geeft namelijk te kennen dat hij zich zelf in de materie heeft verdiept en een deskundige is en daarom zijn tijdsbesteding vergoed wil hebben. Tijdverzuim voor het opstellen of lezen van processtukken door een partij komt niet voor vergoeding in aanmerking. De rechtbank wijst het verzoek als kennelijk ongegrond af. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep niet-ontvankelijk; bepaalt dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 53,- vergoedt; wijst het verzoek om een proceskostenvergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van mr. W. Dekkers, griffier, op 4 mei 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. griffier rechter De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld. Informatie over verzet Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden. Vgl. Hoge Raad 15 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:43.