Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-05-04
ECLI:NL:RBZWB:2026:3770
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,183 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:3770 text/xml public 2026-05-12T14:00:25 2026-05-04 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-05-04 BRE 25/3352 en 25/3368 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Breda Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:3770 text/html public 2026-05-11T13:44:40 2026-05-12 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:3770 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 04-05-2026 / BRE 25/3352 en 25/3368 8:54; De rechtbank verklaart de beroepen niet-ontvankelijk. De rechtbank stelt vast dat de heffingsambtenaar, nadat beroepen bij de rechtbank zijn ingesteld, beide naheffingsaanslagen heeft vernietigd. Hiermee is alsnog volledig aan de klachten van belanghebbende tegemoet gekomen. Dit betekent dat deze beroepszaken niet meer tot een voor belanghebbende gunstiger resultaat kunnen leiden. Dit betekent dat er geen procesbelang meer is. De rechtbank bepaalt dat de heffingsambtenaar het door belanghebbende in beide zaken betaalde griffierecht vergoedt. RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Belastingrecht zaaknummers: BRE 25/3352 en 25/3368 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 mei 2026 in de zaken tussen [belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende en de heffingsambtenaar van de gemeente Tilburg, de heffingsambtenaar. Inleiding 1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over de beroepen van belanghebbende over de naheffingsaanslagen parkeerbelasting met aanslagnummers [aanslagnummer 1] en [aanslagnummer 2] . 1.1. Omdat de beroepen kennelijk niet-ontvankelijk zijn, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. Beoordeling door de rechtbank 2. De rechtbank komt tot het oordeel dat de beroepen kennelijk niet-ontvankelijk zijn, omdat belanghebbende geen procesbelang heeft. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt. 2.1. De heffingsambtenaar heeft de rechtbank op 10 november 2025 laten weten de naheffingsaanslag met aanslagnummer [aanslagnummer 1] te vernietigen en het griffierecht te vergoeden. De heffingsambtenaar heeft de rechtbank vervolgens op 25 februari 2026 laten weten de naheffingsaanslag met aanslagnummer [aanslagnummer 2] te vernietigen en het griffierecht te vergoeden. 2.2. De griffier heeft belanghebbende gevraagd of hij de beroepen wilt intrekken. Belanghebbende heeft op 7 maart 2026 gereageerd en trekt de beroepen niet in, omdat hij drie keer griffierecht heeft betaald en daarom drie keer het griffierecht terug wilt. De heffingsambtenaar heeft op 10 maart 2026 laten weten maar eenmaal griffierecht te vergoeden, omdat het gerelateerde zaken betreft en dus maar eenmaal griffierecht geheven had mogen worden. Ontvankelijkheid 2.3. De rechtbank stelt vast dat de heffingsambtenaar, nadat beroepen bij de rechtbank zijn ingesteld, beide naheffingsaanslagen heeft vernietigd. Hiermee is alsnog volledig aan de klachten van belanghebbende tegemoet gekomen. Dit betekent dat deze beroepszaken niet meer tot een voor belanghebbende gunstiger resultaat kunnen leiden. Dit betekent dat er geen procesbelang meer is. De beroepen zijn niet-ontvankelijk. Griffierecht 2.4. De rechtbank heeft op 21 juli 2025 voor beide beroepsprocedures het griffierecht ontvangen. De rechtbank heeft op 2 december 2025 in de zaak BRE 25/3368 opdracht gegeven het griffierecht terug te storten, omdat het beroep als ten onrechte ingeschreven is aangemerkt. Dit bedrag is op 4 december 2025 op de rekening van belanghebbende teruggestort. Omdat het beroep BRE 25/3368 abusievelijk als ten onrechte ingeschreven is aangemerkt hebben partijen op 23 januari 2026 een rectificatie ontvangen. Op 19 februari 2026 heeft belanghebbende opnieuw het griffierecht voor het beroep BRE 25/3368 voldaan en is het beroep voortgezet. Belanghebbende heeft dus per saldo tweemaal griffierecht betaald, aangezien het griffierecht eenmaal is teruggestort. 2.5. De rechtbank volgt het standpunt van de heffingsambtenaar dat slechts eenmaal griffierecht had moeten worden geheven vanwege gerelateerde zaken niet. Alleen indien dezelfde belanghebbende één beroepschrift indient tegen twee of meer met elkaar samenhangende besluiten is slechts eenmaal griffierecht verschuldigd. Belanghebbende heeft twee afzonderlijke beroepschriften ingediend tegen twee verschillende naheffingsaanslagen parkeerbelasting. Belanghebbende heeft dus terecht tweemaal griffierecht betaald. 2.6. In gevallen waarin een beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard, omdat het bestuursorgaan geheel aan de klachten van de belanghebbende tegemoet is gekomen, behoort de heffingsambtenaar tot vergoeding van het griffierecht te worden gelast. In beide zaken is hiervan sprake. Nu vast is komen te staan dat belanghebbende tweemaal griffierecht heeft betaald, komt ook tweemaal het griffierecht voor vergoeding in aanmerking. Dit betreft in totaal € 106 (2 x € 53). Conclusie en gevolgen 3. De beroepen zijn niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van procesbelang. De heffingsambtenaar is na het indienen van de beroepen geheel aan de klachten van belanghebbende tegemoet gekomen en dient ten aanzien van beide beroepen tot vergoeding van het griffierecht te worden gelast. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank: verklaart de beroepen niet-ontvankelijk; bepaalt dat de heffingsambtenaar het door belanghebbende in beide zaken betaalde griffierecht van in totaal € 106 vergoedt. Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van mr. W. Dekkers, griffier, op 4 mei 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. griffier rechter De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld. Informatie over verzet Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden. Vgl. Hoge Raad 15 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:43. Vgl. Hoge Raad 14 april 2023, ECLI:NL:HR:2023:560.
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:3770 text/xml public 2026-05-12T14:00:25 2026-05-04 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-05-04 BRE 25/3352 en 25/3368 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Breda Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:3770 text/html public 2026-05-11T13:44:40 2026-05-12 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:3770 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 04-05-2026 / BRE 25/3352 en 25/3368 8:54; De rechtbank verklaart de beroepen niet-ontvankelijk. De rechtbank stelt vast dat de heffingsambtenaar, nadat beroepen bij de rechtbank zijn ingesteld, beide naheffingsaanslagen heeft vernietigd. Hiermee is alsnog volledig aan de klachten van belanghebbende tegemoet gekomen. Dit betekent dat deze beroepszaken niet meer tot een voor belanghebbende gunstiger resultaat kunnen leiden. Dit betekent dat er geen procesbelang meer is. De rechtbank bepaalt dat de heffingsambtenaar het door belanghebbende in beide zaken betaalde griffierecht vergoedt. RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Belastingrecht zaaknummers: BRE 25/3352 en 25/3368 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 mei 2026 in de zaken tussen [belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende en de heffingsambtenaar van de gemeente Tilburg, de heffingsambtenaar. Inleiding 1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over de beroepen van belanghebbende over de naheffingsaanslagen parkeerbelasting met aanslagnummers [aanslagnummer 1] en [aanslagnummer 2] . 1.1. Omdat de beroepen kennelijk niet-ontvankelijk zijn, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. Beoordeling door de rechtbank 2. De rechtbank komt tot het oordeel dat de beroepen kennelijk niet-ontvankelijk zijn, omdat belanghebbende geen procesbelang heeft. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt. 2.1. De heffingsambtenaar heeft de rechtbank op 10 november 2025 laten weten de naheffingsaanslag met aanslagnummer [aanslagnummer 1] te vernietigen en het griffierecht te vergoeden. De heffingsambtenaar heeft de rechtbank vervolgens op 25 februari 2026 laten weten de naheffingsaanslag met aanslagnummer [aanslagnummer 2] te vernietigen en het griffierecht te vergoeden. 2.2. De griffier heeft belanghebbende gevraagd of hij de beroepen wilt intrekken. Belanghebbende heeft op 7 maart 2026 gereageerd en trekt de beroepen niet in, omdat hij drie keer griffierecht heeft betaald en daarom drie keer het griffierecht terug wilt. De heffingsambtenaar heeft op 10 maart 2026 laten weten maar eenmaal griffierecht te vergoeden, omdat het gerelateerde zaken betreft en dus maar eenmaal griffierecht geheven had mogen worden. Ontvankelijkheid 2.3. De rechtbank stelt vast dat de heffingsambtenaar, nadat beroepen bij de rechtbank zijn ingesteld, beide naheffingsaanslagen heeft vernietigd. Hiermee is alsnog volledig aan de klachten van belanghebbende tegemoet gekomen. Dit betekent dat deze beroepszaken niet meer tot een voor belanghebbende gunstiger resultaat kunnen leiden. Dit betekent dat er geen procesbelang meer is. De beroepen zijn niet-ontvankelijk. Griffierecht 2.4. De rechtbank heeft op 21 juli 2025 voor beide beroepsprocedures het griffierecht ontvangen. De rechtbank heeft op 2 december 2025 in de zaak BRE 25/3368 opdracht gegeven het griffierecht terug te storten, omdat het beroep als ten onrechte ingeschreven is aangemerkt. Dit bedrag is op 4 december 2025 op de rekening van belanghebbende teruggestort. Omdat het beroep BRE 25/3368 abusievelijk als ten onrechte ingeschreven is aangemerkt hebben partijen op 23 januari 2026 een rectificatie ontvangen. Op 19 februari 2026 heeft belanghebbende opnieuw het griffierecht voor het beroep BRE 25/3368 voldaan en is het beroep voortgezet. Belanghebbende heeft dus per saldo tweemaal griffierecht betaald, aangezien het griffierecht eenmaal is teruggestort. 2.5. De rechtbank volgt het standpunt van de heffingsambtenaar dat slechts eenmaal griffierecht had moeten worden geheven vanwege gerelateerde zaken niet. Alleen indien dezelfde belanghebbende één beroepschrift indient tegen twee of meer met elkaar samenhangende besluiten is slechts eenmaal griffierecht verschuldigd. Belanghebbende heeft twee afzonderlijke beroepschriften ingediend tegen twee verschillende naheffingsaanslagen parkeerbelasting. Belanghebbende heeft dus terecht tweemaal griffierecht betaald. 2.6. In gevallen waarin een beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard, omdat het bestuursorgaan geheel aan de klachten van de belanghebbende tegemoet is gekomen, behoort de heffingsambtenaar tot vergoeding van het griffierecht te worden gelast. In beide zaken is hiervan sprake. Nu vast is komen te staan dat belanghebbende tweemaal griffierecht heeft betaald, komt ook tweemaal het griffierecht voor vergoeding in aanmerking. Dit betreft in totaal € 106 (2 x € 53). Conclusie en gevolgen 3. De beroepen zijn niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van procesbelang. De heffingsambtenaar is na het indienen van de beroepen geheel aan de klachten van belanghebbende tegemoet gekomen en dient ten aanzien van beide beroepen tot vergoeding van het griffierecht te worden gelast. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank: verklaart de beroepen niet-ontvankelijk; bepaalt dat de heffingsambtenaar het door belanghebbende in beide zaken betaalde griffierecht van in totaal € 106 vergoedt. Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van mr. W. Dekkers, griffier, op 4 mei 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. griffier rechter De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld. Informatie over verzet Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden. Vgl. Hoge Raad 15 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:43. Vgl. Hoge Raad 14 april 2023, ECLI:NL:HR:2023:560.