Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-06-03
ECLI:NL:RBZWB:2025:3641
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Beschikking
1,904 tokens
Inleiding
RECHTBANK
ZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Middelburg
Zaaknummer / rekestnummer: 11584453 \ OV VERZ 25-1030
Beschikking van 3 juni 2025
in de zaak van
[werknemer]
,
te [plaats] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [werknemer] ,
gemachtigde: mr. M.A. Breewel-Witteveen,
tegen
[werkgever]
,
te [plaats] ,
verwerende partij,
hierna te noemen: [werkgever] ,
gemachtigde: mr. C.A.M. van Vught.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift met productie 1 tot en met 10,
- het verweerschrift met productie 1 tot en met 14,
- de mondelinge behandeling van 29 april 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt en de door mr. C.A.M. van Vught overgelegde en voorgedragen pleitnotities.
1.2.
De beschikking is bepaald op vandaag.
Feiten
2.1.
[werknemer] is op grond van een arbeidsovereenkomst in dienst bij [werkgever] als docent LB (0,6 FTE).
2.2.
In het voorjaar van 2024 heeft [werkgever] een interne vacature opengesteld voor de functie van docent LC. [werknemer] heeft op 13 april 2024 schriftelijk op deze functie gesolliciteerd.
2.3.
[werkgever] heeft op 31 mei 2024 mondeling aan [werknemer] laten weten dat zij niet wordt benoemd in de functie van docent LC.
2.4.
[werknemer] heeft op 8 juli 2024 beroep ingesteld bij de Commissie van Beroep Funderend Onderwijs (hierna: de Commissie) tegen de bestreden beslissing. [werkgever] heeft op 7 oktober 2024 een verweerschrift ingediend. Op 18 oktober 2024 heeft een digitale zitting plaatsgevonden. Bij beslissing van 19 december 2024 heeft de Commissie het beroep van [werknemer] ongegrond verklaard.
3Het verzoek en het verweer
3.1.
[werknemer] vraagt de kantonrechter een voorlopig getuigenverhoor te bevelen.
3.2.
Aan het verzoek heeft [werknemer] het volgende ten grondslag gelegd. Volgens [werknemer] heeft [werkgever] de sollicitatieprocedure niet zorgvuldig doorlopen. Zo heeft op 24 mei 2024, gedurende de procedure, geen gesprek plaatsgevonden met de acht leden van de benoemingsadviescommissie (BAC). In de aanhangig te maken zaak beoogt [werknemer] de beslissing van de Commissie te laten herzien.
3.3.
[werkgever] verzet zich tegen toewijzing van het verzoek en voert daartoe het volgende aan. [werkgever] stelt dat de sollicitatieprocedure juist en zorgvuldig is doorlopen. Uit een door alle acht leden van de benoemingsadviescommissie (BAC) ondertekende schriftelijke verklaring blijkt dat [werknemer] op 24 mei 2024 wel degelijk een gesprek met de BAC heeft gehad. Deze verklaring vormt bovendien voldoende bewijs, waardoor [werknemer] geen belang heeft bij het onderhavige verzoek. [werkgever] verzoekt verder om toekenning van de daadwerkelijk gemaakte proceskosten, tot een bedrag van € 7.738,25, nu volgens haar sprake is van misbruik van procesrecht dan wel onrechtmatig handelen aan de zijde van [werknemer] .
Beoordeling
Het beoordelingskader
4.1.
Het uitgangspunt van artikel 196 Rv is dat een voorlopig getuigenverhoor wordt toegestaan als een belanghebbende daarom verzoekt, mits aan de voorwaarden is voldaan. Het verzoekschrift moet globaal de zaak, de (voorgenomen) vordering, de te bewijzen feiten en de getuigen vermelden. Wat bewezen moet worden, moet voldoende duidelijk zijn, net als wat de getuigen daarover kunnen verklaren. Het verzoek hoeft niet heel gedetailleerd te zijn, omdat het voorlopig verhoor juist bedoeld is om onduidelijkheden te verhelderen en de zin van een vordering te beoordelen (HR 15 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:1105 en 1112). Artikel 197 Rv bepaalt dat het verzoek wordt gedaan aan de rechter die vermoedelijk bevoegd zal zijn van de zaak kennis te nemen als deze aanhangig wordt gemaakt. De rechter beoordeelt summierlijk of hij absoluut bevoegd is.
De ontvankelijkheid
4.2.
De kantonrechter overweegt als volgt. [werknemer] wil herziening van de beslissing van de Commissie. Artikel 21 van het Reglement van de Landelijke Commissie van Beroep Funderend Onderwijs bepaalt dat iedere partij de Commissie kan verzoeken om herziening van de uitspraak op grond van – kort gezegd – nieuwe feiten. Herziening van een uitspraak van de Commissie dient derhalve bij de Commissie zelf te worden verzocht en niet bij de kantonrechter. Voor zover [werknemer] een dergelijk herzieningsverzoek heeft beoogd, is de kantonrechter niet de juiste instantie om van de zaak kennis te nemen als deze aanhangig wordt gemaakt. Voor zover [werknemer] een andere procedure op het oog had, heeft zij dit niet nader toegelicht en is daarvan ook anderszins niet gebleken.
4.3.
Het bovenstaande leidt tot de conclusie dat het de kantonrechter summierlijk is gebleken dat zij niet bevoegd zal zijn kennis te nemen van een eventueel verzoek om het besluit van de Commissie te herzien. Dit betekent dat [werknemer] niet-ontvankelijk wordt verklaard in haar verzoek en de kantonrechter niet toekomt aan een inhoudelijke beoordeling.
Geen daadwerkelijke proceskostenveroordeling
4.4.
[werknemer] is in het ongelijk gesteld en zal daarom in de proceskosten worden veroordeeld. Anders dan [werkgever] aanvoert, worden deze kosten begroot volgens het geldende liquidatietarief. Dat [werknemer] het verzoek ten onrechte bij de kantonrechter heeft ingediend, terwijl een andere instantie bevoegd is, leidt niet tot het oordeel dat sprake is van misbruik van recht of onrechtmatig handelen. Er zijn geen aanwijzingen dat [werknemer] het verzoek bewust bij een onjuiste instantie heeft ingediend. De proceskosten worden als volgt begroot:
- griffierecht
€
135,00
- salaris gemachtigde
€
542,00
(2 punt × € 271,00)
- nakosten
€
135,00
Totaal
€
812,00
Dictum
De kantonrechter
5.1.
verklaart [werknemer] niet-ontvankelijk in haar verzoek,
5.2.
veroordeelt [werknemer] in de proceskosten van € 812,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
Deze beschikking is gegeven door mr. Van der Burgt en in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2025.