Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2024-03-28
ECLI:NL:RBZWB:2024:9479
Strafrecht
Raadkamer
2,057 tokens
Dictum
[klager]
woonplaats kiezend ten kantore van mr. J.J.J. van Rijsbergen op het adres: Parkstraat 10, 4818 SJ Breda
Klager is de heer [naam] namens [klager].
Procesverloop
Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken:
de kennisgeving van inbeslagname op grond van artikel 94 van het Wetboek van Strafvordering (hierna te noemen: Sv), waaruit blijkt dat op onder klager in beslag is genomen: een bedrijfsauto van het merk Volvo, type Flh 42, voorzien van [kenteken] (hierna te noemen: de bedrijfsauto);
het klaagschrift, ingediend op 23 oktober 2023 ter griffie van deze rechtbank ingevolge artikel 552a Sv;
het verweerschrift van het Openbaar Ministerie; en
de overige stukken uit het bijbehorende raadkamerdossier met voornoemd raadkamernummer.
Het klaagschrift is behandeld in raadkamer op 14 maart 2024. Gehoord zijn de officier van justitie, mr. R. Jacobs, klager en mr. J.J.J. van Rijsbergen als gemachtigd raadsman van klager.
Het klaagschrift strekt zich tot opheffing van het gelegde beslag met last tot teruggave aan klager. Hiertoe is aangevoerd dat onder klager een Volvo FL240 met [kenteken] in beslag is genomen omdat er kennelijk een verdenking is dat er met dit voertuig een strafbaar feit is gepleegd. Klager is hiervan op 2 oktober 2023 door de politie telefonisch op de hoogte gesteld. Klager was op dat moment op vakantie in Spanje en heeft werkelijk geen idee waar het hier over gaat. Klager heeft de sleutel van het voertuig in het voertuig laten liggen zodat derden met het voertuig kunnen rijden in de afwezigheid van klager. Klager is eigenaar van het voertuig en heeft daarvan geen afstand gedaan. Evenmin heeft klager het voertuig door enig strafbaar feit verkregen of onttrokken aan een rechthebbende. Klager wordt bezwaard door de inbeslagneming en het voortduren daarvan, alsmede door het uitblijven van een last tot teruggave van het voertuig. Naar het oordeel van klager verzet het belang van strafvordering zich niet tegen de gevraagde teruggave, immers is klager voor zover bekend geen verdachte in een strafzaak. Tevens is bij de huidige stand van zaken een verbeurdverklaring niet mogelijk gelet op artikel 33a lid 2 onder a Wetboek van Strafrecht. Klager verzoekt om het klaagschrift gegrond te verklaren. In raadkamer heeft de raadsman hieraan toegevoegd dat klager ontkent dat hij de bestuurder was van de bedrijfsauto ten tijde van de vermeende bedrijfsinbraak en dat dit wordt ondersteund door de foto’s van de bestuurder in het dossier aangezien klager niet voldoet aan dit signamelent. Het meereizen van de telefoon op naam van klager is daarbij logisch omdat het een zakelijk toestel betreft die – net als de sleutels – altijd in de bedrijfsauto ligt. Klager voert aan niet te weten wie tijdens de vermeende bedrijfsinbraak de bestuurder was van de bedrijfsauto en stelt (financieel) bezwaard te worden door het voortduren van het beslag omdat hij nu eventuele beschikbare vrachtauto’s in moet huren.
De officier van justitie persisteert bij het verweerschrift van het Openbaar Ministerie en heeft in aanvulling daarop aangevoerd dat het eindproces-verbaal zo goed als klaar is. Echter is er nog geen zicht op een datum voor de inhoudelijke behandeling van de strafzaak.
Beoordeling
De raadkamer van de rechtbank is bevoegd tot afdoening van het klaagschrift.
Het klaagschrift is tijdig ingediend en klager is ontvankelijk in het klaagschrift.
Bij de beoordeling stelt de rechtbank voorop dat het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a Sv een summier karakter draagt. Dat betekent dat van de rechter niet kan worden gevergd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure te treden.
De rechtbank overweegt over het klaagschrift tegen het strafvorderlijk beslag dat is gelegd op grond van artikel 94 Sv als volgt.
Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad sinds HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654, r.o. 2.8 en 2.9, dient de rechter, in geval van een klaagschrift tegen een op grond van artikel 94 Sv gelegd beslag:
a. te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo neen,
b. de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp te gelasten aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van dat voorwerp moet worden beschouwd.
In dit laatste geval moet het klaagschrift van de beslagene ongegrond worden verklaard en kan, mits de hiervoor bedoelde ander zelf een klaagschrift heeft ingediend, de teruggave aan die rechthebbende worden gelast.
Het belang van strafvordering verzet zich tegen teruggave indien het veiligstellen van de belangen waarvoor artikel 94 Sv de inbeslagneming toelaat, het voortduren van het beslag nodig maakt. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer de desbetreffende voorwerpen kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen of om wederrechtelijk verkregen voordeel aan te tonen. Voorts verzet het door artikel 94 Sv beschermde belang van strafvordering zich tegen teruggave indien niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer van het voorwerp zal bevelen, al dan niet naar aanleiding van een afzonderlijke vordering daartoe als bedoeld in artikel 36b, eerste lid onder 4o, Sr in verbinding met artikel 552f Sv.
De toe te passen maatstaf sluit niet uit dat de rechtbank, indien de omstandigheden van het geval dat meebrengen, bij de beoordeling van het klaagschrift tevens onderzoekt of voortzetting van het beslag in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit (vgl. HR 18 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:379).
De rechtbank stelt vast dat uit het raadkamerdossier een verdenking van een bedrijfsinbraak volgt waarbij de bedrijfsauto van klager zou zijn betrokken en een telefoon op naam van klager is met de bedrijfsauto zou zijn meegereisd. Klager ontkent iedere betrokkenheid bij deze vermeende bedrijfsinbraak. Uit het verhandelde in raadkamer volgt dat klager als verdachte wordt aangemerkt en dat het eindproces-verbaal bijna gereed is.
Binnen het beperkte toetsingskader dat de rechtbank heeft is zij van oordeel dat de enkele verklaring van klager dat hij ten tijde van de inbraak in Spanje zat en daardoor geen betrokkenheid had bij de bedrijfsinbraak onder de gegeven omstandigheden niet zodanig is dat elke verdenking jegens klager opzij wordt gezet of daaraan in ieder geval sterk kan worden getwijfeld. De rechtbank acht het dan ook niet hoogst onwaarschijnlijk dat de strafrechter later het beslag verbeurd zal verklaren.
Voor zover met de stelling dat klager financieel wordt bezwaard door de voortduring van het beslag een beroep wordt gedaan op het proportionaliteitsbeginsel, is de rechtbank van oordeel dat gelet op de huidige stand van het onderzoek, zoals door de officier van justitie ter zitting is uiteengezet, de handhaving van het beslag op dit moment niet als disproportioneel kan worden aangemerkt.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het klaagschrift gericht tegen het op grond van artikel 94 Sv gelegde beslag ongegrond verklaren.
Dictum
De rechtbank verklaart het klaagschrift ongegrond.
Deze beslissing is op 28 maart 2024 gegeven door mr. E.G.F. Vliegenberg, rechter, in tegenwoordigheid van J.H. Cornelissen, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 maart 2024.
INFORMATIE RECHTSMIDDEL
Tegen deze beslissing kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na dagtekening van deze beslissing en door de klager binnen veertien dagen na de betekening van deze beslissing beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden te 's-Gravenhage (artikel 552d lid 2 Wetboek van Strafvordering).