Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2024-05-07
ECLI:NL:RBZWB:2024:4089
Strafrecht
Raadkamer
6,140 tokens
Dictum
[klager]
geboren op [geboortedag] 1977 te [geboorteplaats] ( [land] )
woonplaats kiezende ten kantore van mr. Z. Yeral, Burgemeester Prinsensingel 57a te 4701 HK Roosendaal
hierna te noemen: klager.
Procesverloop
Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken:
de kennisgeving van inbeslagname op grond van artikel 94 van het Wetboek van Strafvordering (hierna te noemen: Sv), waaruit blijkt dat op 1 november 2023 onder klager in beslag is genomen: een personenauto van het merk BMW, type X5, kleur zwart en voorzien van het Bulgaarse [kenteken] ;
het klaagschrift ingevolge artikel 552a Sv, ingediend op 19 februari 2024 ter griffie van deze rechtbank;
het verweerschrift van de officier van justitie; en
de overige stukken uit het bijbehorende raadkamerdossier met voornoemd raadkamernummer.
Het klaagschrift is behandeld in raadkamer op 23 april 2024. Gehoord zijn de officier van justitie mr. M. Nieuwenhuis, klager en mr. Z. Yeral als raadsman van klager. Omdat klager de Nederlandse taal niet voldoende beheerst, is hij in raadkamer bijgestaan door [naam] , een in het register als bedoeld in artikel 2 van de Wet beëdigde tolken en vertalers ingeschreven tolk in de Bulgaarse taal. Wat in raadkamer is besproken of voorgelezen is door de tolk vertaald.
Standpunt klager:
Het klaagschrift strekt tot opheffing van het gelegde beslag met last tot teruggave aan klager. Daartoe is aangevoerd dat op onder klager een voertuig in beslag is genomen waarvan klager eigenaar is. Klager werd verdacht van het rijden zonder geldig rijbewijs. Echter beschikt klager over een Engels rijbewijs. Nadat hem bekend werd dat hij daarmee niet in Nederland een auto mocht besturen, is hij gestart met theorielessen voor een Nederlands rijbewijs. Daarnaast staat het voertuig normaliter in Bulgarije. Het voertuig was verzekerd in Bulgarije en werd aldaar gekeurd. Klager is met zijn voertuig een aantal keer voor korte duur naar Nederland gekomen. Klager meent dat hij door het voortduren van het beslag ernstig wordt benadeeld. De beslissing van het Openbaar Ministerie wordt disproportioneel geacht. Er worden geen schadebeperkende maatregelen genomen, zoals de teruggave van het voertuig met eventueel een verbod tot vervreemden.
In raadkamer heeft de raadsman gepersisteerd bij het ingediende klaagschrift. In aanvulling daarop is aangevoerd dat het voertuig niet permanent in Nederland is geweest. Het voertuig werd in Bulgarije gebruikt en klager is een aantal keer in Nederland gecontroleerd. Het is een feit van algemene bekendheid dat voertuigen met buitenlandse kentekens vaker worden gecontroleerd. Klager was echter wel van plan om het kenteken om te zetten naar een Nederlands kenteken. Klager had op 2 november 2023 een afspraak hiervoor. Klager is bezig met het halen van een Nederlands rijbewijs. Op 5 februari 2024 is hij echter niet geslaagd voor het theorie-examen. Op 31 mei 2024 zal hij opnieuw het theorie-examen afleggen. De verwachting is wel dat hij op korte termijn zijn rijbewijs zal behalen. Daarnaast acht klager het voortduren van het beslag disproportioneel. Het voertuig is zo’n € 16.000 à € 17.000 waard en klager wordt financieel ernstig benadeeld als het voertuig niet wordt teruggegeven. Desnoods is klager bereid om zich te houden aan bijvoorbeeld de voorwaarde dat hij het voertuig binnen een week verkoopt.
Klager heeft in raadkamer verklaard dat hij meent dat er geen sprake is van een overtreding van artikel 36 van de Wegenverkeerswet. Het voertuig is immers voortdurend afwisselend in Bulgarije of Nederland geweest. Klager stelt nooit iets te hebben gehoord over het omzetten van zijn kenteken. Evenmin is hij op de hoogte van eerdere boetes in verband daarmee. Wel diende hij een Nederlandse registratie moet hebben van het voertuig. Daarvoor is hij de volgende ochtend naar de gemeente gegaan. Daarnaast heeft hij niet getankt zonder te betalen, maar zijn zoon. Ook heeft hij bij de gemeente aangegeven dat hij zijn rijbewijs wil omzetten naar een Nederlands rijbewijs. Tot slot heeft hij opgemerkt dat hij het voertuig in Bulgarije voor een bedrag van € 60.000 heeft gekocht. Hij meent dat hij daarom het recht heeft om af en toe in de auto te rijden en snapt het systeem niet. Klager heeft zich wel bereid verklaard de kentekens juist te registreren.
Standpunt officier van justitie:
De officier van justitie heeft zich schriftelijk op het standpunt gesteld dat het beslag dient te worden gehandhaafd. Daartoe is aangevoerd dat klager wordt verdacht van het rijden zonder geldig rijbewijs en het rijden of laten staan van een voertuig zonder geldig kenteken. Er is meermaals sprake van recidive ten aanzien van de feiten. Het voertuig staat op naam van klager, waardoor hij gebruik kan maken van het voertuig. Daarbij is opgemerkt dat inwoners van Nederland niet mogen rijden in een voertuig met een buitenlands kenteken en 185 dagen de tijd hebben om het kenteken om te zetten naar een Nederlands kenteken. Klager staat sinds 14 februari 2020 ingeschreven in Nederland en mag dus geen buitenlands voertuig op naam hebben staan als het voertuig zich in Nederland bevindt. Klager is voorts op 28 oktober 2023 gewaarschuwd dat bij een volgende keer het voertuig in beslag zou worden genomen. Het recidiverisico wordt gelet op het voorgaande als hoog ingeschat. Klager leert kennelijk niet van eerdere staandehoudingen. De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring van het voertuig zal bevelen. Verzocht wordt dan ook het klaagschrift ongegrond te verklaren.
In raadkamer heeft de officier van justitie gepersisteerd bij het eerder ingenomen schriftelijke standpunt. In raadkamer is nogmaals gewezen op de vele overtredingen die met het voertuig zijn begaan en dat het feit dat klager in Nederland staat ingeschreven bepaalde verplichtingen met zich meebrengt. Dit heeft onder meer te maken met het betalen van belastingen.
Beoordeling
De raadkamer van de rechtbank is bevoegd tot afdoening van het klaagschrift.
Het klaagschrift is zijn tijdig ingediend en klager is ontvankelijk in het klaagschrift.
Bij de beoordeling stelt de rechtbank voorop dat het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a Sv een summier karakter draagt. Dat betekent dat van de rechter niet kan worden gevergd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure te treden.
De rechtbank overweegt over het klaagschrift tegen het strafvorderlijk beslag dat is gelegd op grond van artikel 94 Sv als volgt.
Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad sinds HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654, r.o. 2.8 en 2.9, dient de rechter, in geval van een klaagschrift tegen een op grond van artikel 94 Sv gelegd beslag:
a. te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo neen,
b. de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp te gelasten aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van dat voorwerp moet worden beschouwd.
In dit laatste geval moet het klaagschrift van de beslagene ongegrond worden verklaard en kan, mits de hiervoor bedoelde ander zelf een klaagschrift heeft ingediend, de teruggave aan die rechthebbende worden gelast.
Het belang van strafvordering verzet zich tegen teruggave indien het veiligstellen van de belangen waarvoor artikel 94 Sv de inbeslagneming toelaat, het voortduren van het beslag nodig maakt. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer de desbetreffende voorwerpen kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen of om wederrechtelijk verkregen voordeel aan te tonen. Voorts verzet het door artikel 94 Sv beschermde belang van strafvordering zich tegen teruggave indien niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer van het voorwerp zal bevelen, al dan niet naar aanleiding van een afzonderlijke vordering daartoe als bedoeld in artikel 36b, eerste lid onder 4o, Sr in verbinding met artikel 552f Sv.
De toe te passen maatstaf sluit niet uit dat de rechtbank, indien de omstandigheden van het geval dat meebrengen, bij de beoordeling van het klaagschrift tevens onderzoekt of voortzetting van het beslag in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit (vgl. HR 18 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:379 (https://www.navigator.nl/document/id12ee88abfa644cd3861417ec5b4d9cda?anchor=id-3b75fcf8-2685-4550-92bf-b6a83e564b80)).
De rechtbank is van oordeel dat er een strafvorderlijk belang bestaat bij het voortduren van het beslag op het voertuig. Klager wordt verdacht van (in ieder geval) het rijden of laten staan van een voertuig zonder geldig kenteken. Uit het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] van 18 april 2024 blijkt dat het voertuig geparkeerd stond op de openbare weg en dat het kenteken zijn geldigheid had verloren doordat de eigenaar van het voertuig meer dan 185 dagen onafgebroken in Nederland staat ingeschreven. Uit de justitiële documentatie van klager blijkt dat aan klager zowel op 12 oktober 2023 (pleegdatum 2 juni 2023) als op 19 februari 2024 (pleegdatum 28 oktober 2023) een strafbeschikking is opgelegd voor het rijden of laten staan van een voertuig zonder geldig kenteken. Volgens de officier van justitie is klager op 28 oktober 2023 gewaarschuwd dat bij een volgende keer het voertuig in beslag zal worden genomen. De rechtbank neemt daarbij in overweging dat uit de uitdraai van het BCS-portaal van 26 februari 2024 blijkt dat klager niet in het bezit is van een (geldig Nederlands) rijbewijs en dat het voertuig volgens de verbalisanten tweemaal betrokken is geweest bij het tanken zonder te betalen. Voorts is aan klager tweemaal een strafbeschikking opgelegd wegens het rijden zonder rijbewijs. Gelet op het voorgaande lijkt het erop dat het voertuig ook bij deze incidenten op openbare weg is geweest zonder geldig kenteken. Het is de rechtbank niet gebleken dat het voertuig momenteel wel is voorzien van een juiste registratie, waardoor het voertuig tot op heden niet geschikt is aan het verkeer deel te nemen. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring of de onttrekking aan het verkeer van het voertuig zal bevelen.
Een en ander kan anders zijn indien het beslag als disproportioneel zou moeten worden beoordeeld. De enige omstandigheid dat door of namens klager is gesteld – maar verder niet is onderbouwd – dat het voertuig een waarde van ongeveer € 16.000 à € 17.000 vertegenwoordigd, maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat het beslag als disproportioneel moet worden geacht. Tot slot merkt de rechtbank op dat de wet in deze raadkamerprocedure geen mogelijkheid biedt voor een geclausuleerde teruggave.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het klaagschrift gericht tegen het op grond van artikel 94 Sv gelegde beslag ongegrond verklaren.
Dictum
De rechtbank verklaart
- het klaagschrift ongegrond.
Deze beslissing is op 7 mei 2024 gegeven door mr. R.J.H. Goossens, rechter, in tegenwoordigheid van mr. M. van Grinsven, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 mei 2024.
INFORMATIE RECHTSMIDDEL
Tegen deze beslissing kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na dagtekening van deze beslissing en door de klager binnen veertien dagen na de betekening van deze beslissing beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden te 's-Gravenhage (artikel 552d lid 2 Wetboek van Strafvordering).
Dictum
[klager]
geboren op [geboortedag] 1977 te [geboorteplaats] ( [land] )
woonplaats kiezende ten kantore van mr. Z. Yeral, Burgemeester Prinsensingel 57a te 4701 HK Roosendaal
hierna te noemen: klager.
Procesverloop
Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken:
de kennisgeving van inbeslagname op grond van artikel 94 van het Wetboek van Strafvordering (hierna te noemen: Sv), waaruit blijkt dat op 1 november 2023 onder klager in beslag is genomen: een personenauto van het merk BMW, type X5, kleur zwart en voorzien van het Bulgaarse [kenteken] ;
het klaagschrift ingevolge artikel 552a Sv, ingediend op 19 februari 2024 ter griffie van deze rechtbank;
het verweerschrift van de officier van justitie; en
de overige stukken uit het bijbehorende raadkamerdossier met voornoemd raadkamernummer.
Het klaagschrift is behandeld in raadkamer op 23 april 2024. Gehoord zijn de officier van justitie mr. M. Nieuwenhuis, klager en mr. Z. Yeral als raadsman van klager. Omdat klager de Nederlandse taal niet voldoende beheerst, is hij in raadkamer bijgestaan door [naam] , een in het register als bedoeld in artikel 2 van de Wet beëdigde tolken en vertalers ingeschreven tolk in de Bulgaarse taal. Wat in raadkamer is besproken of voorgelezen is door de tolk vertaald.
Standpunt klager:
Het klaagschrift strekt tot opheffing van het gelegde beslag met last tot teruggave aan klager. Daartoe is aangevoerd dat op onder klager een voertuig in beslag is genomen waarvan klager eigenaar is. Klager werd verdacht van het rijden zonder geldig rijbewijs. Echter beschikt klager over een Engels rijbewijs. Nadat hem bekend werd dat hij daarmee niet in Nederland een auto mocht besturen, is hij gestart met theorielessen voor een Nederlands rijbewijs. Daarnaast staat het voertuig normaliter in Bulgarije. Het voertuig was verzekerd in Bulgarije en werd aldaar gekeurd. Klager is met zijn voertuig een aantal keer voor korte duur naar Nederland gekomen. Klager meent dat hij door het voortduren van het beslag ernstig wordt benadeeld. De beslissing van het Openbaar Ministerie wordt disproportioneel geacht. Er worden geen schadebeperkende maatregelen genomen, zoals de teruggave van het voertuig met eventueel een verbod tot vervreemden.
In raadkamer heeft de raadsman gepersisteerd bij het ingediende klaagschrift. In aanvulling daarop is aangevoerd dat het voertuig niet permanent in Nederland is geweest. Het voertuig werd in Bulgarije gebruikt en klager is een aantal keer in Nederland gecontroleerd. Het is een feit van algemene bekendheid dat voertuigen met buitenlandse kentekens vaker worden gecontroleerd. Klager was echter wel van plan om het kenteken om te zetten naar een Nederlands kenteken. Klager had op 2 november 2023 een afspraak hiervoor. Klager is bezig met het halen van een Nederlands rijbewijs. Op 5 februari 2024 is hij echter niet geslaagd voor het theorie-examen. Op 31 mei 2024 zal hij opnieuw het theorie-examen afleggen. De verwachting is wel dat hij op korte termijn zijn rijbewijs zal behalen. Daarnaast acht klager het voortduren van het beslag disproportioneel. Het voertuig is zo’n € 16.000 à € 17.000 waard en klager wordt financieel ernstig benadeeld als het voertuig niet wordt teruggegeven. Desnoods is klager bereid om zich te houden aan bijvoorbeeld de voorwaarde dat hij het voertuig binnen een week verkoopt.
Klager heeft in raadkamer verklaard dat hij meent dat er geen sprake is van een overtreding van artikel 36 van de Wegenverkeerswet. Het voertuig is immers voortdurend afwisselend in Bulgarije of Nederland geweest. Klager stelt nooit iets te hebben gehoord over het omzetten van zijn kenteken. Evenmin is hij op de hoogte van eerdere boetes in verband daarmee. Wel diende hij een Nederlandse registratie moet hebben van het voertuig. Daarvoor is hij de volgende ochtend naar de gemeente gegaan. Daarnaast heeft hij niet getankt zonder te betalen, maar zijn zoon. Ook heeft hij bij de gemeente aangegeven dat hij zijn rijbewijs wil omzetten naar een Nederlands rijbewijs. Tot slot heeft hij opgemerkt dat hij het voertuig in Bulgarije voor een bedrag van € 60.000 heeft gekocht. Hij meent dat hij daarom het recht heeft om af en toe in de auto te rijden en snapt het systeem niet. Klager heeft zich wel bereid verklaard de kentekens juist te registreren.
Standpunt officier van justitie:
De officier van justitie heeft zich schriftelijk op het standpunt gesteld dat het beslag dient te worden gehandhaafd. Daartoe is aangevoerd dat klager wordt verdacht van het rijden zonder geldig rijbewijs en het rijden of laten staan van een voertuig zonder geldig kenteken. Er is meermaals sprake van recidive ten aanzien van de feiten. Het voertuig staat op naam van klager, waardoor hij gebruik kan maken van het voertuig. Daarbij is opgemerkt dat inwoners van Nederland niet mogen rijden in een voertuig met een buitenlands kenteken en 185 dagen de tijd hebben om het kenteken om te zetten naar een Nederlands kenteken. Klager staat sinds 14 februari 2020 ingeschreven in Nederland en mag dus geen buitenlands voertuig op naam hebben staan als het voertuig zich in Nederland bevindt. Klager is voorts op 28 oktober 2023 gewaarschuwd dat bij een volgende keer het voertuig in beslag zou worden genomen. Het recidiverisico wordt gelet op het voorgaande als hoog ingeschat. Klager leert kennelijk niet van eerdere staandehoudingen. De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring van het voertuig zal bevelen. Verzocht wordt dan ook het klaagschrift ongegrond te verklaren.
In raadkamer heeft de officier van justitie gepersisteerd bij het eerder ingenomen schriftelijke standpunt. In raadkamer is nogmaals gewezen op de vele overtredingen die met het voertuig zijn begaan en dat het feit dat klager in Nederland staat ingeschreven bepaalde verplichtingen met zich meebrengt. Dit heeft onder meer te maken met het betalen van belastingen.
Beoordeling
De raadkamer van de rechtbank is bevoegd tot afdoening van het klaagschrift.
Het klaagschrift is zijn tijdig ingediend en klager is ontvankelijk in het klaagschrift.
Bij de beoordeling stelt de rechtbank voorop dat het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a Sv een summier karakter draagt. Dat betekent dat van de rechter niet kan worden gevergd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure te treden.
De rechtbank overweegt over het klaagschrift tegen het strafvorderlijk beslag dat is gelegd op grond van artikel 94 Sv als volgt.
Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad sinds HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654, r.o. 2.8 en 2.9, dient de rechter, in geval van een klaagschrift tegen een op grond van artikel 94 Sv gelegd beslag:
a. te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo neen,
b. de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp te gelasten aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van dat voorwerp moet worden beschouwd.
In dit laatste geval moet het klaagschrift van de beslagene ongegrond worden verklaard en kan, mits de hiervoor bedoelde ander zelf een klaagschrift heeft ingediend, de teruggave aan die rechthebbende worden gelast.
Het belang van strafvordering verzet zich tegen teruggave indien het veiligstellen van de belangen waarvoor artikel 94 Sv de inbeslagneming toelaat, het voortduren van het beslag nodig maakt. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer de desbetreffende voorwerpen kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen of om wederrechtelijk verkregen voordeel aan te tonen. Voorts verzet het door artikel 94 Sv beschermde belang van strafvordering zich tegen teruggave indien niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer van het voorwerp zal bevelen, al dan niet naar aanleiding van een afzonderlijke vordering daartoe als bedoeld in artikel 36b, eerste lid onder 4o, Sr in verbinding met artikel 552f Sv.
De toe te passen maatstaf sluit niet uit dat de rechtbank, indien de omstandigheden van het geval dat meebrengen, bij de beoordeling van het klaagschrift tevens onderzoekt of voortzetting van het beslag in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit (vgl. HR 18 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:379 (https://www.navigator.nl/document/id12ee88abfa644cd3861417ec5b4d9cda?anchor=id-3b75fcf8-2685-4550-92bf-b6a83e564b80)).
De rechtbank is van oordeel dat er een strafvorderlijk belang bestaat bij het voortduren van het beslag op het voertuig. Klager wordt verdacht van (in ieder geval) het rijden of laten staan van een voertuig zonder geldig kenteken. Uit het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] van 18 april 2024 blijkt dat het voertuig geparkeerd stond op de openbare weg en dat het kenteken zijn geldigheid had verloren doordat de eigenaar van het voertuig meer dan 185 dagen onafgebroken in Nederland staat ingeschreven. Uit de justitiële documentatie van klager blijkt dat aan klager zowel op 12 oktober 2023 (pleegdatum 2 juni 2023) als op 19 februari 2024 (pleegdatum 28 oktober 2023) een strafbeschikking is opgelegd voor het rijden of laten staan van een voertuig zonder geldig kenteken. Volgens de officier van justitie is klager op 28 oktober 2023 gewaarschuwd dat bij een volgende keer het voertuig in beslag zal worden genomen. De rechtbank neemt daarbij in overweging dat uit de uitdraai van het BCS-portaal van 26 februari 2024 blijkt dat klager niet in het bezit is van een (geldig Nederlands) rijbewijs en dat het voertuig volgens de verbalisanten tweemaal betrokken is geweest bij het tanken zonder te betalen. Voorts is aan klager tweemaal een strafbeschikking opgelegd wegens het rijden zonder rijbewijs. Gelet op het voorgaande lijkt het erop dat het voertuig ook bij deze incidenten op openbare weg is geweest zonder geldig kenteken. Het is de rechtbank niet gebleken dat het voertuig momenteel wel is voorzien van een juiste registratie, waardoor het voertuig tot op heden niet geschikt is aan het verkeer deel te nemen. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring of de onttrekking aan het verkeer van het voertuig zal bevelen.
Een en ander kan anders zijn indien het beslag als disproportioneel zou moeten worden beoordeeld. De enige omstandigheid dat door of namens klager is gesteld – maar verder niet is onderbouwd – dat het voertuig een waarde van ongeveer € 16.000 à € 17.000 vertegenwoordigd, maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat het beslag als disproportioneel moet worden geacht. Tot slot merkt de rechtbank op dat de wet in deze raadkamerprocedure geen mogelijkheid biedt voor een geclausuleerde teruggave.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het klaagschrift gericht tegen het op grond van artikel 94 Sv gelegde beslag ongegrond verklaren.
Dictum
De rechtbank verklaart
- het klaagschrift ongegrond.
Deze beslissing is op 7 mei 2024 gegeven door mr. R.J.H. Goossens, rechter, in tegenwoordigheid van mr. M. van Grinsven, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 mei 2024.
INFORMATIE RECHTSMIDDEL
Tegen deze beslissing kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na dagtekening van deze beslissing en door de klager binnen veertien dagen na de betekening van deze beslissing beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden te 's-Gravenhage (artikel 552d lid 2 Wetboek van Strafvordering).