Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2024-12-27
ECLI:NL:RBZWB:2024:8890
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,195 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 24/3580 PW
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 december 2024 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
(gemachtigde: mr. N. Talhaoui),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bergen op Zoom (ISD Brabantse Wal; de ISD), verweerder.
Procesverloop
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 9 april 2024 (bestreden besluit).
Eiser is wegens betalingsonmacht voorlopig vrijgesteld van de verplichting om griffierecht te betalen.
De rechtbank heeft het beroep op 15 november 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: mr. M. Kaplan als waarnemend gemachtigde van eiser en namens de ISD mr. S.H.J. Aarts.
Beoordeling
1.1
De rechtbank beoordeelt het beroep van eiser tegen het besluit van de ISD waarbij de afwijzing van zijn aanvraag om bijzondere bijstand voor een algemeen OV abonnement is gehandhaafd. De rechtbank doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
1.2
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.3
De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Feiten
2. Eiser betreft een 53-jarige alleenstaande man. Eiser is dakloos maar ontvangt sinds 19 augustus 2021 een bijstandsuitkering naar de norm van een alleenstaande met verlaging van de woonkosten.
Op 12 oktober 2023 heeft eiser een aanvraag ingediend om bijzondere bijstand voor een algemeen OV abonnement.
Bij brief van 15 november 2023 heeft de ISD om aanvullende informatie gevraagd inzake de aanvraag van eiser om bijzondere bijstand. Eiser heeft op 29 november 2023 gereageerd op dit verzoek.
Met het besluit van 2 januari 2024 (primair besluit) heeft de ISD de aanvraag van eiser om bijzondere bijstand afgewezen, omdat niet is gebleken dat het gaat om uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten in de zin van artikel 35 van de Participatiewet.
Eiser heeft op 26 januari 2024 bezwaar gemaakt tegen dit besluit.
Met het bestreden besluit heeft de ISD het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Bestreden besluit
3. De ISD heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat de aanvraag van eiser om bijzondere bijstand terecht is afgewezen. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) betreffen reiskosten incidentele algemene kosten van het bestaan, die in beginsel uit het inkomen op bijstandsniveau moeten worden voldaan. Hoewel reiskosten in beginsel te rekenen zijn tot de algemeen noodzakelijke bestaanskosten, liggen de kosten waarvoor eiser bijzondere bijstand heeft gevraagd niet binnen de grens van wat algemeen noodzakelijk is. Eiser reist namelijk dagelijks zonder vervoersbewijs, omdat hij graag zo reist en dit gaat gepaard met strafopleggingen. De kosten zijn daarom niet noodzakelijk, maar wenselijk om het opleggen van straffen en dus ook maatschappelijke kosten te voorkomen. Hoewel de ISD begrijpt dat het dagelijks zwart reizen van eiser gepaard gaat met hoge maatschappelijke kosten, is toch geen noodzaak om bijzondere bijstand op grond van artikel 18 van de Participatiewet te verstrekken.
Beroepsgronden
4.1
Eiser stelt zich op het standpunt dat de ISD ten onrechte geen maatwerk heeft geleverd en de bijzondere bijstand niet alsnog heeft verstrekt. Eiser leidt aan psychische problemen wat zich uit in de omstandigheid dat hij dagelijks met het openbaar vervoer reist. Het telkens straffen van eiser resulteert niet in een constructieve oplossing. Ook vergt het proces van opsporing en vervolging aanzienlijke tijd en kosten voor alle betrokken partijen. De huidige situatie resulteert in een negatieve impact op zowel de Staat als eiser. Om die reden is het in het belang van zowel de Staat als eiser om eiser een algemeen OV abonnement ter beschikking te stellen.
4.2
Verder brengt het evenredigheidsbeginsel mee dat maatwerk moet worden geleverd. Eiser lijdt aan sociale - en psychische problematiek waardoor het de vraag is in hoeverre zijn gedrag aan hem verweten kan worden. Doordat eiser hoogstwaarschijnlijk niet zal stoppen met zijn gedrag en dit ten koste gaat van maatschappelijke tijd en kosten, is het in dit geval noodzakelijk om maatwerk te leveren. Ten slotte benadrukt eiser dat de bijzondere bijstand aan hem verleend had moeten worden op grond van artikel 16 van de Participatiewet. Er is sprake van dringende redenen in de omstandigheid dat eiser kampt met psychische problematiek en de omstandigheid dat dit gedrag niet zal stoppen.
Oordeel van de rechtbank
Griffierecht
5. Eiser heeft vanwege betalingsonmacht verzocht om vrijstelling van de betaling van het griffierecht. De rechtbank is van oordeel dat dit verzoek kan worden toegewezen, omdat is gebleken dat eiser op de datum waarop het griffierecht uiterlijk betaald moest worden niet beschikte over een inkomen van minimaal 95% van de bijstandsnorm.
Bijzondere bijstand
6.1
Volgens vaste jurisprudentie van de CRvB dient bij de toepassing van artikel 35, eerste lid, van de Participatiewet eerst beoordeeld te worden of de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt gevraagd zich voordoen, vervolgens of die kosten in het individuele geval van de betrokkene noodzakelijk zijn en daarna of die kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. Ten slotte dient de vraag te worden beantwoord of de kosten kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de individuele inkomenstoeslag, de individuele studietoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm.
6.2
De ISD heeft de grondslag van het primaire besluit met het bestreden besluit gewijzigd in die zin dat de kosten in het geval van eiser niet noodzakelijk zijn. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de kosten waarvoor eiser bijzondere bijstand aanvraagt niet noodzakelijk, maar wenselijk om het opleggen van straffen en dus ook maatschappelijke kosten te voorkomen. Eiser heeft daarom in beginsel geen recht op bijzondere bijstand voor deze kosten.
6.3
In geschil is of de ISD de bijzondere bijstand ten onrechte niet heeft afgestemd in de zin van artikel 18, eerste lid, van de Participatiewet en of het bestreden besluit in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Door eiser is ter zitting meegedeeld dat de beroepsgrond dat sprake is van zeer dringende redenen in de zin van artikel 16 van de Participatiewet, niet wordt gehandhaafd. De rechtbank beoordeelt de dringende redenen daarom niet.
Afstemming bijstand
7.1
Eiser doet een beroep op de afstemmingsbepaling van artikel 18, eerste lid, van de Participatiewet. Op grond van vaste jurisprudentie van de CRvB kan het college alleen als gevolg van individuele omstandigheden overgaan tot individualiseren en kan slechts in zeer bijzondere situaties hiervan gebruik worden gemaakt. De uitkering op grond van de Participatiewet is immers een all-in-norm en de belanghebbende heeft daarbij in beginsel bestedingsvrijheid.
7.2
De rechtbank ziet op grond van hetgeen eiser heeft aangevoerd geen aanleiding om de bijzondere bijstand af te stemmen op grond van artikel 18, eerste lid, van de Participatiewet. Het is immers eisers eigen keuze om dagelijks strafbare feiten te plegen door te reizen zonder vervoersbewijs. Het verstrekken van bijzondere bijstand is een laatste financieel vangnet en niet bestemd om te voorkomen dat iemand bestraft wordt voor het plegen van strafbare feiten.
Evenredigheidsbeginsel
8.1
Eiser doet een beroep op het evenredigheidsbeginsel dat is neergelegd in artikel 3:4, tweede lid, van de Awb. Artikel 35, eerste lid, van de Participatiewet bepaalt wanneer een betrokkene recht heeft op bijzondere bijstand.
8.2
Voornoemde bepaling is een gebonden formele wet en de tekst van de bepaling laat geen ruimte om daarvan af te wijken. Dit betekent dat de wetgever dwingend heeft bepaald dat in dit geval geen bijstand kan worden verleend. Hieruit volgt ook dat er, anders dan eiser wenst, geen ruimte bestaat om te toetsen aan het evenredigheidsbeginsel van artikel 3:4, tweede lid, Awb en, vanwege het toetsingsverbod, evenmin ruimte bestaat voor een toetsing – zonder voorbehoud – aan de ongeschreven evenredigheid. De rechtbank verwijst hierbij naar de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) en de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBB). Wel kan er aanleiding bestaan voor een zogenoemde contra legem-toepassing van algemene rechtsbeginselen of (ander) ongeschreven recht, zoals het evenredigheidsbeginsel.
Conclusie
9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Snoeks, rechter, in aanwezigheid van mr. S.C.J.J. van Roij, griffier op 27 december 2024 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 3:4
1. Het bestuursorgaan weegt de rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen af, voor zover niet uit een wettelijk voorschrift of uit de aard van de uit te oefenen bevoegdheid een beperking voortvloeit.
2. De voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit mogen niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen.
Participatiewet
Artikel 18, eerste lid
Het college stemt de bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen af op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de belanghebbende.
Artikel 35, eerste lid
Onverminderd paragraaf 2.2, heeft de alleenstaande of het gezin recht op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de individuele inkomenstoeslag, bedoeld in artikel 36, de studietoeslag, bedoeld in artikel 36b, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm, waarbij artikel 31, tweede lid, en artikel 34, tweede lid, niet van toepassing zijn. Het college bepaalt het begin en de duur van de periode waarover het vermogen en het inkomen in aanmerking wordt genomen.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 7 februari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV3069.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 1 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:772.
Zie de uitspraak van het CBB van 26 maart 2024, ECLI:NL:CBB:2024:190.
Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 13 december 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4628.