Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-11-10
ECLI:NL:RBZWB:2025:8062
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,002 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 24/2659 WHT
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 november 2025 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. I.M. van den Heuvel),
en
de minister van Financiën, verweerder.
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van het verzoek van eiseres aan de minister om compensatie te verlenen voor vier door haar al betaalde private schulden op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Eiseres is het niet eens met de afwijzing van haar verzoek. Zij voert daartoe aan dat de minister ten onrechte de compensatie heeft afgewezen op de grond dat de schulden (nog) niet opeisbaar waren voor 1 juni 2021, en dat ten onrechte de hardheidsclausule niet is toegepast. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van het verzoek.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister op goede gronden het verzoek om compensatie van vier door eiseres betaalde private schulden heeft afgewezen. De minister heeft namelijk terecht de opeisbaarheid van de private schulden meegewogen bij de beoordeling en de hardheidsclausule niet hoeven toepassen. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiseres is aangemerkt als gedupeerde van de kinderopvangtoeslagaffaire. Zij heeft aan Sociale Banken Nederland (SBN) een schuldenlijst toegezonden met de bedoeling om compensatie te ontvangen voor al betaalde schulden. Op de schuldenlijst staan al betaalde private schulden bij Tinka/Wehkamp Finance (€ 1.095,95), Defam (€ 20.164,95), ICS (Creditcard ABN; € 1.537,50) en ABN (Privélimiet Plus opheffen; € 899,60).
2.1.
Met de berichten van 12 en 15 juni 2023 heeft SBN aan eiseres om nadere informatie gevraagd. SBN heeft hierop geen reactie van eiseres ontvangen.
2.2.
Met het besluit van 19 juli 2023 heeft de minister het verzoek van eiseres om compensatie van vier al afbetaalde privé-schulden afgewezen. De minister stelt zich op het standpunt dat deze schulden niet goed kunnen worden beoordeeld en dat desgevraagd geen aanvullend bewijs is aangeleverd. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit.
2.3.
De minister heeft eiseres bij brief van 21 september 2023 nogmaals in de gelegenheid gesteld uiterlijk op 19 oktober 2023 een betalingsherinnering of aanmaning van Tinka en Defam en een opeisingsbrief van ICS en ABN-AMRO te overleggen.
2.5.
Met het bestreden besluit van 18 januari 2024 heeft de minister het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard en daarmee de afwijzing van het verzoek van eiseres gehandhaafd. Daaraan is ten grondslag gelegd dat eiseres de gevraagde gegevens niet heeft overgelegd. Daarnaast heeft zij tijdens de hoorzitting verklaard dat zij elke maand op tijd haar schulden heeft betaald en er geen sprake is geweest van betalingsachterstanden. Daaruit volgt volgens de minister dat de schulden niet voor 1 juni 2021 opeisbaar waren, zodat de schulden niet voldoen aan artikel 4.1, tweede lid, onderdeel b, en artikel 4.3 van de Wht en niet voor compensatie in aanmerking komen.
2.6.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.7.
De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.8.
De rechtbank heeft het beroep op 18 augustus 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en mr. M. Bouhoud namens de minister.
2.9.
De rechtbank heeft de uitspraaktermijn verlengd.
Beoordeling
3. De rechtbank beoordeelt of op goede gronden is geoordeeld dat geen compensatie wordt toegekend voor de al betaalde private schulden van eiseres.
3.1.
De wettelijke regels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
Standpunt eiseres
4. Eiseres voert aan dat zij met het geld dat zij op grond van de Catshuisregeling heeft ontvangen, openstaande schulden heeft afbetaald. De minister heeft echter haar verzoek tot compensatie van de afgeloste schulden ten onrechte afgewezen, onder verwijzing naar artikel 4.1, tweede lid, onderdeel b, van de Wht, omdat de schulden niet-opeisbaar waren voor 1 juni 2021. Eiseres stelt primair wel recht te hebben op compensatie, omdat artikel 4.3 van de Wht uitgaat van opeisbaarheid van al betaalde schulden. Subsidiair is eiseres van mening dat de minister ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan de hardheidsclausule. Het kan volgens eiseres niet de bedoeling van de wetgever zijn om wanbetalers wel te compenseren en eiseres, die haar wettelijke betalingsverplichtingen nakomt, niet.
Mocht de minister de door eiseres betaalde private schulden toetsen aan de voorwaarde van opeisbaarheid?
5. In hoofdstuk 4 van de Wht is geregeld onder welke voorwaarden gedupeerden in aanmerking komen voor het overnemen en betalen van private schulden. In artikel 4.3 van de Wht is een bepaling opgenomen voor compensatie van al afgeloste private schulden. Op grond van het eerste lid van dit artikel komt een private schuld die is betaald na ontvangst van een bedrag op grond van een herstelmaatregel, zoals bedoeld in artikel 2.7 van de Wht, in aanmerking voor compensatie, als deze afgeloste schuld op grond van artikel 4.1 van de Wht zou zijn overgenomen als deze niet voldaan was. Artikel 4.1 van de Wht bepaalt onder welke voorwaarden private schulden worden overgenomen. Aan de volgende voorwaarden moet daarom ook zijn voldaan: (a) dat de schuld is ontstaan na 31 december 2005 en (b) vóór 1 juni 2021 opeisbaar was. In artikel 4.3 van de Wht is dus uitsluitend een uitzondering gemaakt op onderdeel (c), het niet voldaan zijn van de schuld op het tijdstip waarop de aanvraag wordt gedaan. Eiseres wordt daarom niet gevolgd in haar standpunt dat het vereiste van opeisbaarheid niet meer zou gelden omdat in artikel 4.3 al zou worden uitgegaan van opeisbare schulden.
5.1.
Niet in geschil is dat eiseres de vier private schulden, die na 31 december 2005 zijn ontstaan, heeft betaald na ontvangst van het eerste compensatiebedrag op basis van de Catshuisregeling. Niet gebleken is echter dat aan het vereiste van opeisbaarheid van de schulden vóór 1 juni 2021 is voldaan. De minister heeft daarom in beginsel terecht deze afgeloste schulden niet gecompenseerd.
5.2.
Het beroep van eiseres strekt ertoe dat de rechtbank het vereiste dat een schuld opeisbaar was vóór 1 juni 2021, zoals opgenomen in artikel 4.1, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wht, toetst aan het gelijkheidsbeginsel.
5.3.
De eis van opeisbaarheid van de schuld is vervat in de Wht, een wet in formele zin. Het zogenoemde toetsingsverbod van artikel 120 van de Grondwet staat eraan in de weg dat de rechter een wettelijke bepaling toetst aan algemene rechtsbeginselen, zoals het gelijkheidsbeginsel. De rechtbank kan dan alleen oordelen dat de toepassing van een wettelijk vereiste in een individueel geval achterwege moet blijven, als er sprake is van bijzondere omstandigheden. Het moet dan gaan om een bijzondere omstandigheid die de wetgever bij de totstandbrenging van de wettelijke bepaling niet of niet ten volle heeft verdisconteerd in zijn afweging. Dat is het geval als die niet verdisconteerde bijzondere omstandigheden de toepassing van de wettelijke bepaling zozeer in strijd doen zijn met algemene rechtsbeginselen of (ander) ongeschreven recht dat die toepassing achterwege moet blijven. Daarbij kan het ook gaan om gevolgen van de toepassing van de wettelijke bepaling die niet stroken met wat de wetgever kan hebben bedoeld of voorzien.
5.4.
De rechtbank beantwoordt eerst de vraag of de wetgever de in deze zaak aan de orde zijnde gevolgen van (toepassing van) artikel 4.1, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wht heeft bedoeld en voorzien. Als de wetgever de gevolgen van de toepassing van dit artikel inderdaad heeft bedoeld en voorzien, kan de rechtbank vanwege het toetsingsverbod niet toekomen aan beantwoording van de vraag of artikel 4.1, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wht buiten toepassing moet worden gelaten omdat sprake zou zijn van strijd met het gelijkheidsbeginsel.
5.5.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft in haar uitspraak van 15 mei 2024 beoordeeld of de wetgever de mogelijke gevolgen voor gedupeerde ouders van het vereiste van opeisbaarheid bij de totstandkoming van artikel 4.1 van de Wht onder ogen heeft gezien, en daarmee die gevolgen in de bepaling heeft verdisconteerd. In die uitspraak heeft de Afdeling geoordeeld dat zij tot geen andere conclusie kan komen dan dat dit het geval is. Met de bewuste en gemotiveerde keuze voor de overname van alleen die schulden die vóór 1 juni 2021 opeisbaar zijn geworden, heeft de wetgever voorzien dat niet alle gedupeerde ouders die in financiële moeilijkheden verkeren door de gevolgen van de kinderopvangtoeslagenproblematiek met deze schuldenregeling van hun schulden afkomen. De datum van 1 juni 2021 sluit aan bij de bekendmaking van de regeling voor private schulden, zoals is gebeurd bij brief van 25 mei 2021. De wetgever wilde voorkomen dat op de regeling kon worden geanticipeerd, bijvoorbeeld door met de wetenschap van het bestaan van de regeling nieuwe schulden aan te gaan. Alleen op 1 juni 2021 openstaande betalingsachterstanden op geldschulden worden overgenomen, niet de toekomstige termijnen. Het is namelijk niet het doel van de regeling om ouders volledig te vrijwaren van betalingsverplichtingen. De wetgever wilde nadrukkelijk alleen opeisbare schulden of achterstanden onder de regeling brengen. De eis dat het moet gaan om opeisbare schulden behoort tot de kern van de regeling. Daaronder kunnen ook ouders vallen zoals eiseres, die onder lastige omstandigheden veel moeite hebben gedaan om het ontstaan van achterstanden en schulden te voorkomen en die het als gevolg van de toeslagenproblematiek financieel moeilijk hebben. Schulden die door een gedupeerde ouder al zijn betaald vallen in principe niet onder de private schuldenregeling. Daar wordt een uitzondering op gemaakt indien de ouder of toeslagpartner eerst een herstelbedrag heeft ontvangen en nadien een geldschuld (gedeeltelijk) heeft betaald, die anders door SBN, in opdracht van de minister, zou zijn betaald.
5.6.
Uit het voorgaande volgt dat de wetgever de gevolgen van de toepassing van het vereiste van opeisbaarheid heeft bedoeld en voorzien. Dat betekent dat de rechtbank vanwege het toetsingsverbod niet toekomt aan de vraag of artikel 4.1, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wht buiten toepassing moet worden gelaten omdat sprake is van strijd met het gelijkheidsbeginsel.
5.7.
Naar het oordeel van de rechtbank mocht de minister de door eiseres betaalde schulden toetsen aan de voorwaarde van opeisbaarheid. Zoals hiervoor onder 5.1 overwogen is niet voldaan aan deze voorwaarde. De minister heeft dus terecht gesteld dat eiseres niet heeft voldaan aan de eis van opeisbaarheid van de schulden.
Conclusie
6. Uit alles wat hiervoor is overwogen, volgt dat de minister op goede gronden heeft besloten geen compensatie voor de al betaalde schulden te verlenen. Het beroep zal daarom ongegrond worden verklaard. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.M.L. van de Sande, rechter, in aanwezigheid van M.H.A. de Graaf, griffier, op 10 november 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Wet hersteloperatie toeslagen (Wht)
Artikel 4.1
1. Onze Minister van Financiën neemt op aanvraag de geldschulden en kosten over op grond van artikel 155 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek van degene die in aanmerking komt voor toepassing van een herstelmaatregel als bedoeld in artikel 2.7 of diens partner, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, onderdelen b of c, op wie artikel 4.6 of 4.7 niet van toepassing is.
2. De geldschulden die worden overgenomen:
a. zijn ontstaan na 31 december 2005;
b. waren voor 1 juni 2021 opeisbaar; en
c. zijn niet voldaan op het tijdstip waarop de aanvraag wordt gedaan.
3. Geldschulden en kosten die worden overgenomen, zijn:
a. een geldschuld die is ontstaan door een in de normale uitoefening van een beroep of bedrijf verrichte rechtshandeling van de schuldeiser;
(…)
d. de bij een overgenomen of over te nemen opeisbare geldschuld bijkomende kosten;
(…)
4. Geldschulden en kosten die niet worden overgenomen zijn:
a. de resterende hoofdsom van een hypothecaire lening, ook als die vanwege betalingsachterstanden opeisbaar is geworden, tenzij het een restschuld betreft na verkoop van of verhaal op de verhypothekeerde zaak;
b. de resterende hoofdsommen van andere leningen, tenzij die vanwege betalingsachterstanden opeisbaar zijn geworden;
c. een geldschuld die voortvloeit uit een onrechtmatige daad;
d. een percentage van de geldschuld aan een rechtspersoon, vennootschap onder firma, commanditaire vennootschap of maatschap waarin de aanvrager van de schuldoverneming een belang heeft, dat gelijk is aan het percentage van dat belang van de aanvrager van de schuldoverneming; en
e. een geldschuld waarvoor aan de aanvrager van de schuldoverneming reeds compensatie of aanvullende compensatie als bedoeld in artikel 2.1 of een andere niet-forfaitaire vergoeding is toegekend.
Artikel 4.3, eerste lid
Aan een aanvrager van een kinderopvangtoeslag die in aanmerking komt voor toepassing van een herstelmaatregel als bedoeld in artikel 2.7 of aan een ex-partner, die in aanmerking komt voor de compensatie, bedoeld in artikel 2.14h, eerste lid, en aan wie deze is toegekend, verleent Onze Minister op aanvraag compensatie voor een afgeloste geldschuld die op grond van artikel 4.1 voor overneming in aanmerking zou komen als deze niet voldaan was.
Artikel 9.1. Hardheidsclausule
(…)
2. Voor zover toepassing gelet op het belang dat de bepaling beoogt te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard kan:
a. Onze Minister van Financiën afwijken van artikel 2.15, 3.13, 4.1, 4.2 of 4.3;(…)
ECLI:NL:RVS:2023:772
ECLI:NL:RVS:2024:2045, zie ook ECLI:NL:RVS:2025:456
Kamerstukken II 2021-2022, 36 151, nr. 3, blz. 46
ECLI:NL:RVS:2025:456 en ECLI:NL:RVS:2025:1004