Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2024-05-16
ECLI:NL:RBZWB:2024:3226
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,696 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 24/3043
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 mei 2024 in de zaak tussen
[eiser] en [eiseres] , uit [plaats] , eisers,
(gemachtigde: mr. E.C.J. Wouters),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oisterwijk.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eisers hebben ingesteld na de uitspraak van de rechtbank van 10 oktober 2023, (ECLI:NL:RBZWB:2023:6996). In die uitspraak staat dat het college binnen twee weken moet beslissen op de aanvraag tegemoetkoming planschade van eisers. Eisers stellen nu beroep in omdat het college dat volgens hen niet heeft gedaan.
1.1.
Omdat het beroep kennelijk gegrond is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Beoordeling
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen.
3. De rechtbank heeft het college op 4 april 2024 verzocht om de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift in te dienen. Het college heeft op 21 april 2024 wel een verweerschrift ingediend, maar geen stukken. Dit betekent dat de rechtbank op basis van de bij haar bekende stukken, ingediend door eisers, uitspraak zal doen.
Is het beroep ontvankelijk en kennelijk gegrond?
4. Het beroep is ontvankelijk en kennelijk gegrond. Soms kan niet worden verwacht dat de betrokkene eerst een ingebrekestelling stuurt. Dat is in dit geval zo, omdat de rechtbank bij haar uitspraak van 10 oktober 2023 al een termijn heeft gesteld waarbinnen verweerder een beslissing moest nemen.
5. Het college heeft niet binnen de door de rechtbank gestelde termijn een besluit genomen op de aanvraag van eisers.
Welke beslistermijn moet aan het college worden opgelegd?
6. Omdat het college nog geen besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat het college dit alsnog moet doen.
6.1.
Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet het college dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. In bijzondere gevallen of als dit vanwege een wettelijk voorschrift nodig is, kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn geven of een andere voorziening treffen.
6.2.
Het college heeft in zijn verweerschrift van 18 april 2024 uitgelegd dat hij waarschijnlijk in september 2024 pas tot een besluit kan nemen, omdat hij afhankelijk is van de deskundigheid, capaciteit en behandeltermijn van een extern adviesbureau (Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken). De rechtbank vindt dat een goede reden, omdat eisers belang hebben bij een zorgvuldig afgesloten besluit en daar het advies van de Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (SAOZ) voor nodig is. SAOZ heeft in zijn brief aan het college van 18 april 2024 aangegeven dat eerst een afspraak met eisers gepland stond op 29 maart 2024, maar dat eisers die hebben afgezegd, waardoor er pas een afspraak zou plaatsvinden op 26 april 2024. SAOZ geeft verder aan dat hij, gelet op de daarvoor geldende proceduretermijnen, verwacht uiterlijk medio augustus 2024 het definitieve advies te kunnen toesturen. De rechtbank vindt dit aannemelijk. De rechtbank zal het college opdragen uiterlijk 30 september 2024 alsnog een besluit bekend te maken.
Welke dwangsom wordt aan het college opgelegd?
7. Volgens het landelijke beleid wordt in gevallen als deze, waarin het college na een door de rechter gestelde termijn nog steeds geen besluit heeft genomen, de dwangsom bepaald op € 250,- per dag met een maximum van € 37.500,-.
Conclusie
8. Het beroep is kennelijk gegrond. Dat betekent dat eisers gelijk krijgen, het college de onder 6.2. genoemde termijn krijgt om alsnog een besluit te nemen en aan het college de onder 7. genoemde dwangsom wordt opgelegd.
8.1.
Omdat het beroep gegrond is, moet het college het griffierecht aan eisers vergoeden en krijgen eisers ook een vergoeding voor hun proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 437,50 omdat de gemachtigde van eisers een beroepschrift heeft ingediend en de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
draagt het college op uiterlijk 30 september 2024 alsnog een besluit bekend te maken;
- bepaalt dat het college aan eisers een dwangsom van € 250,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 37.500,-;
veroordeelt het college tot betaling van € 437,50 aan proceskosten aan eisers;
bepaalt dat het college het griffierecht van € 187,- aan eisers moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Josten, rechter, in aanwezigheid van mr. M.R. Jouvenaar, griffier, op 16 mei 2024 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier is niet in de gelegenheid om deze uitspraak mede te ondertekenen.
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.
Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van de Awb.
Bijvoorbeeld: ECLI:NL:RVS:2019:673 en ECLI:NL:RVS:2020:3156.