Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2023-06-13
ECLI:NL:RBZWB:2023:4090
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,972 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 23/2488
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 juni 2023 in de zaak tussen
[naam eiser] , uit [plaatsnaam] , eiser
en
de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.
Inleiding
1.1.
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiser heeft ingesteld na de uitspraken van de rechtbank van 11 februari 2022 (ECLI:NL:RBZWB:2022:723) en 11 augustus 2022 (ECLI:NL:RBZWB:2022:4721). In beide uitspraken heeft de rechtbank de minister een termijn gegeven om alsnog te beslissen op de aanvraag van eiser van 30 juni 2021. In de laatste uitspraak van 11 augustus 2022 staat dat de minister binnen twee weken moet beslissen op de aanvraag van eiser van 30 juni 2021. Eiser stelt nu beroep in omdat de minister dat volgens hem nog steeds niet heeft gedaan.
1.2.
Omdat het beroep kennelijk gegrond is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Beoordeling
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen.
Is het beroep onredelijk laat ingediend?
3. De minister stelt zich op het standpunt dat het beroepschrift onredelijk laat is ingediend. Na de uitspraak van de rechtbank van 11 augustus 2022 heeft de minister niets meer van eiser vernomen. Nu eiser de minister niet meer heeft gerappelleerd wegens het uitblijven van een beslissing op zijn verzoek, heeft de minister besloten om aan andere aanvragen voorrang te geven.
3.1.
Eiser stelt zich op het standpunt dat het rechtens onjuist is dat eiser tijdens een lopende dwangsomperiode tussentijds contact moet opnemen met de minister. Eiser acht het verder onvoorstelbaar dat de minister tijdens een lopende dwangsom van € 250,- per dag voorrang geeft aan andere zaken.
4. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep niet onredelijke laat is ingediend en dat het beroep kennelijk gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
4.1.
De rechtbank overweegt allereest dat volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, in een geval als het onderhavige, waarin de bestuursrechter een termijn heeft gesteld voor het nemen van een besluit, het niet vereist is dat nog een ingebrekestelling wordt gestuurd voordat beroep wordt ingesteld.
4.2.
De rechtbank acht het standpunt van de minister – dat nu eiser na de uitspraken van de rechtbank de minister niet meer heeft gerappelleerd en de minister daarom voorrang heeft gegeven aan andere aanvragen – onbegrijpelijk. De aanvraag van eiser dateert reeds van 30 juni 2021. Eiser heeft reeds tweemaal eerder beroep bij de rechtbank ingesteld wegens het uitblijven van een besluit op zijn aanvraag. In de uitspraken van 11 februari 2022 en 11 augustus 2022 heeft de rechtbank de minister al opgedragen om alsnog op de aanvraag te besluiten, onder verbeurte van een dwangsom van respectievelijk € 100,- en € 250,- per dag tot een maximum van respectievelijk € 15.000,- en € 37.500,-.
4.3.
De rechtbank wijst de minister erop dat uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen volgt dat de rechterlijke dwangsom een financiële prikkel is om een besluit te nemen en dat de wetgever die juist in de Awb heeft opgenomen om het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit effectiever te maken. De uitspraken van de rechtbank van 11 februari 2022 en 11 augustus 2022 zouden derhalve voor de minister reden genoeg moeten zijn om juist voorrang te geven aan de onderhavige aanvraag van eiser. Het ligt dan ook niet op de weg van eiser om de minister na een rechterlijke uitspraak te rappelleren.
4.4.
Nu de minister niet binnen de door de rechtbank gestelde termijn een besluit heeft genomen op de aanvraag van eiser, is het beroep kennelijk gegrond.
Welke beslistermijn wordt aan de minister opgelegd?
5. Omdat de minister nog geen besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank wederom dat de minister dit alsnog moet doen. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet de minister dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. Gelet op de geschiedenis van deze zaak, ziet de rechtbank geen reden voor het opleggen van een langere beslistermijn.
Welke dwangsom wordt aan de minister opgelegd?
6. Door de eerdere uitspraken van de rechtbank en door het nog steeds uitblijven van een beslissing van de minister is er inmiddels een groot bedrag van € 52.500,- aan dwangsommen verbeurd. Gelet op het feit dat de eerdere financiële prikkels niet hebben gewerkt en het hier een derde beroep gericht tegen het niet tijdig beslissen betreft, ziet de rechtbank aanleiding om in afwijking van het landelijke beleid (gepubliceerd op www.rechtspraak.nl) te bepalen dat de minister een dwangsom van € 500,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door de minister. Daarbij geldt wel een maximum van € 75.000,-.
Conclusie
7. Het beroep is kennelijk gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt, de minister de onder 5. genoemde termijn krijgt om alsnog een besluit te nemen en aan de minister de onder 6. genoemde dwangsom wordt opgelegd.
8. Omdat het beroep gegrond is moet de minister het griffierecht aan eiser vergoeden. Eiser heeft geen proceskosten gemaakt die volgens de wet vergoed kunnen worden.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
draagt de minister op binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken;
- bepaalt dat de minister aan eiser een dwangsom van € 500,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 75.000,-;
- bepaalt dat de minister het griffierecht van € 184,- aan eiser moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Josten, rechter, in aanwezigheid van D. Alblas, griffier, op 13 juni 2023 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.
Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van de Awb.
ECLI:NL:RVS:2019:673, ECLI:NL:RVS:2020:3156/