Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2023-05-22
ECLI:NL:RBZWB:2023:6945
Strafrecht
Raadkamer
2,193 tokens
Dictum
[klager]
geboren op [geboortedag] 2001 te [geboorteplaats]wonende op het [woonadres]woonplaats kiezende ten kantore van mr. R.A.H. van Huijgevoort, Tivolistraat 30 te 5017 HR Tilburg.
hierna te noemen: klager.
Procesverloop
Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken:
het klaagschrift, ingediend op 19 januari 2023 ter griffie van deze rechtbank ingevolge artikel 552a Sv;
het verweerschrift van de officier van justitie;
de kennisgeving van inbeslagname op grond van artikel 94 van het Wetboek van Strafvordering (hierna te noemen: Sv), waaruit blijkt dat op 11 januari 2023 onder klager in beslag is genomen: een personenauto van het merk Volkswagen, type Polo, kleur wit en voorzien van het [kenteken]; en
de overige stukken uit het bijbehorende raadkamerdossier met voornoemd raadkamernummer.
Het klaagschrift is behandeld in raadkamer op 9 mei 2023. Gehoord zijn de officier van justitie mr. M.E.W.G. Stals en mr. R.A.H. van Huijgevoort als gemachtigd raadsman van klager.
Klager is behoorlijk opgeroepen, maar niet bij de behandeling van het klaagschrift verschenen.
Het klaagschrift strekt tot opheffing van het gelegde beslag met last tot teruggave aan klager. Daartoe is aangevoerd dat op 11 januari 2023 een voertuig in beslag is genomen waarvan klager rechthebbende is. Klager meent dat er geen strafvorderlijk belang bestaat bij het voortduren van het beslag en dat het voortduren van het beslag in strijd is met de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit. Daarnaast is het voor klager noodzakelijk om te kunnen beschikken over een auto. Hij is namelijk ZZP'er en drijft sinds juli 2022 zijn eenmanszaak [bedrijf]. Klager dient daarbij dagelijks op erg vroeg gelegen tijdstippen - waarop het gebruik van het OV niet mogelijk is - op uiteenlopende plaatsen in Nederland te zijn voor de uitvoering van de bouw- en sloopwerkzaamheden.
In raadkamer heeft de raadsman in aanvulling op het klaagschrift aangevoerd dat klager momenteel steeds door zijn vriendin naar zijn werk wordt gebracht, hetgeen omslachtig en vervelend is. Daarnaast stelt de raadsman zich op het standpunt dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring van het voertuig zal bevelen. Klager is slechts eenmaal eerder onherroepelijk veroordeeld voor een soortgelijk feit en uit de stukken blijkt niet dat klager is gewaarschuwd voor een eventuele inbeslagname bij een volgende verdenking. Daarbij komt dat het voertuig een forse waarde vertegenwoordigt, welke niet in verhouding staat tot de OM-richtlijnen voor strafvordering en dat klager niet over de financiële middelen beschikt om een nieuw voertuig aan te schaffen.
De officier van justitie heeft zich schriftelijk op het standpunt gesteld dat het beslag gehandhaafd dient te blijven. Daartoe is aangevoerd dat klager wordt verdacht van het weigeren van een bloedproef op 11 januari 2023. Het voertuig is in beslag genomen aangezien er sprake is van recidive ten aanzien van het rijden onder invloed, namelijk de feiten met pleegdata 12 oktober 2022 (gedagvaard) en 9 december 2019 (onherroepelijk). Klager leert kennelijk niet van de eerdere straf en het eerder aangezegde proces-verbaal. Het voertuig staat op naam van klager, waardoor hij onbeperkt en ongestoord gebruik kan maken van het voertuig. De officier van justitie stelt zich dan ook op het standpunt dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring van het voertuig zal bevelen.
In raadkamer heeft de officier van justitie gepersisteerd bij het eerder ingenomen standpunt. In reactie op het standpunt van de raadsman is aangevoerd dat klager in 2020 is veroordeeld voor het rijden onder invloed van drugs en dat klager in 2022 binnen vier maanden tijd tweemaal een bloedproef heeft geweigerd.
Beoordeling
De raadkamer van de rechtbank is bevoegd tot afdoening van het klaagschrift.
Het klaagschrift is tijdig ingediend en klager is ontvankelijk in het klaagschrift.
Bij de beoordeling stelt de rechtbank voorop dat het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a Sv een summier karakter draagt. Dat betekent dat van de rechter niet kan worden gevergd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure te treden.
De rechtbank overweegt over het klaagschrift tegen het strafvorderlijk beslag dat is gelegd op grond van artikel 94 Sv als volgt.
Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad sinds HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654, r.o. 2.8 en 2.9, dient de rechter, in geval van een klaagschrift tegen een op grond van artikel 94 Sv gelegd beslag:
a. te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo neen,
b. de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp te gelasten aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van dat voorwerp moet worden beschouwd.
In dit laatste geval moet het klaagschrift van de beslagene ongegrond worden verklaard en kan, mits de hiervoor bedoelde ander zelf een klaagschrift heeft ingediend, de teruggave aan die rechthebbende worden gelast.
Het belang van strafvordering verzet zich tegen teruggave indien het veiligstellen van de belangen waarvoor artikel 94 Sv de inbeslagneming toelaat, het voortduren van het beslag nodig maakt. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer de desbetreffende voorwerpen kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen of om wederrechtelijk verkregen voordeel aan te tonen. Voorts verzet het door artikel 94 Sv beschermde belang van strafvordering zich tegen teruggave indien niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer van het voorwerp zal bevelen, al dan niet naar aanleiding van een afzonderlijke vordering daartoe als bedoeld in artikel 36b, eerste lid onder 4o, Sr in verbinding met artikel 552f Sv.
De toe te passen maatstaf sluit niet uit dat de rechtbank, indien de omstandigheden van het geval dat meebrengen, bij de beoordeling van het klaagschrift tevens onderzoekt of voortzetting van het beslag in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit (vgl. HR 18 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:379 (https://www.navigator.nl/document/id12ee88abfa644cd3861417ec5b4d9cda?anchor=id-3b75fcf8-2685-4550-92bf-b6a83e564b80)).
De rechtbank is van oordeel dat er een strafvorderlijk belang bestaat bij het voortduren van het beslag en zij neemt daartoe het volgende in overweging. Klager wordt ervan verdacht dat hij heeft geweigerd mee te werken aan een bloedproef naar aanleiding van een verdenking van rijden onder invloed. Uit de thans voorhanden zijnde stukken blijkt bovendien dat klager enkele maanden eerder ook heeft geweigerd om mee te werken aan een bloedproef. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring van het voertuig zal bevelen. Dit zou anders zijn indien het beslag inderdaad als disproportioneel zou moeten worden beoordeeld, zoals betoogd door de raadsman. De raadsman heeft in raadkamer echter enkel aangevoerd dat de personenauto een forse waarde vertegenwoordigt, maar heeft geen stukken overhandigd waaruit de daadwerkelijke waarde van het voertuig blijkt. Om die reden slaagt het verweer niet.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het klaagschrift gericht tegen het op grond van artikel 94 Sv gelegde beslag ongegrond verklaren.
Dictum
De rechtbank verklaart
- het klaagschrift ongegrond.
Deze beslissing is op 22 mei 2023 gegeven door mr. E.B. Prenger, rechter, in tegenwoordigheid van mr. M. van Grinsven en mr. D. van Spelde, griffiers, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 mei 2023.
De griffiers zijn niet in de gelegenheid deze beslissing mede te ondertekenen.
INFORMATIE RECHTSMIDDEL
Tegen deze beslissing kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na dagtekening van deze beslissing en door de klager binnen veertien dagen na de betekening van deze beslissing beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden te 's-Gravenhage (artikel 552d lid 2 Wetboek van Strafvordering).